De Openbaring van Arsène Goedertier

De Openbaring van Arsène Goedertier
Posts tonen met het label Sint-Jan de Doper. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Sint-Jan de Doper. Alle posts tonen

maandag 7 juli 2014

1.9 De restitutie van Sint-Jan de Doper



Voorintekenen op De Openbaring van Arsène Goedertier aan 25 € ipv 29, 50 € kan nog tot 1 september 2014! 

De teruggave van de Sint-Jan de Doper op 28 mei 1934 gebeurde op een zodanige wijze dat we niet meer kunnen spreken over een doorsnee afpersingszaak. Vroegere onderzoekers zijn hier niet of onvoldoende op ingegaan.
Eind mei 1934 zag de meid van Goedertier, Hélène Christiaens, haar baas een langwerpig pakket in zijn wagen leggen, waarna hij richting Kerkstraat reed. Tussen haakjes schreef commissaris Luysterborgh: ‘(Gent?)’ – zonder uit te leggen waarom hij aan die stad dacht.  Had de meid Gent vernoemd? De Wetterse Kerkstraat loopt in zuidelijke richting; aan het kruispunt met de Hekkerstraat en de Jozef Buyssestraat kon Arsène verscheidene kanten uit. Op het moment van het verhoor (1 juni 1935) wist Luysterborgh nochtans heel goed dat  de Sint-Jan de Doper terug was bezorgd via het Brusselse Noordstation, op 28 mei 1934 om acht uur ’s morgens – want zo was gebleken uit het verhoor van de stationsambtenaar Alex Puissant. Op 25 mei had Arsène via een krantenadvertentie in de Brusselse krant La Dernière Heure de bevestiging gekregen dat zijn voorstel was aangenomen. Het duurde dus drie dagen vooraleer de grisaille werd afgegeven.
We mogen ervan uitgaan dat Arsène in de namiddag van de 26ste of de 27ste mei met de Sint-Jan de Doper is weggereden. Waar heeft hij het paneel naartoe gebracht? Uit de getuigenis van de meid kunnen we opmaken dat hij het paneel ergens voor een enkele nacht heeft ondergebracht, om het de dag erna zeer vroeg in de morgen op te halen. Vervolgens heeft hij het om acht uur in het Brusselse Noordstation afgegeven. Waarom handelde Goedertier op deze manier? Hij verhoogde alleen maar de kans om gevat te worden, en kon even goed in de voormiddag met zijn wagen naar Brussel gereden zijn om de grisaille diezelfde dag nog in bewaring te geven. De afstand Wetteren–Brussel Noord, via de oude baan, bedroeg destijds bij benadering 44 km. Deze route kon hij met zijn Chevrolet makkelijk in een uur afleggen. In enkele uren tijd zou de hele transactie afgehandeld zijn. Maar om een of andere reden heeft hij het anders aangepakt.
De restitutie van de Sint-Jan de Doper zorgde voor een hachelijke fase in zijn planning. Het was de enige gelegenheid waarbij hij in rechtsreeks contact kwam met derden, die hem achteraf zouden kunnen beschrijven. Hij was genoodzaakt met het paneel in de hand het Noordstation binnen te wandelen. Het was te riskant om met zijn wagen naar Brussel te rijden, want dan zou hij daar ergens het paneel uit de wagen moeten halen om er vervolgens mee naar het Noordstation te stappen. De trein was evenmin een optie. Om de risico’s te beperken, moest hij ook de wandelafstand zo beperkt mogelijk houden. Koos hij voor het kantoor van Plantexel (Mechelsestraat 35, Brussel), dan zou hij eveneens een enorm risico nemen. Men was het wel van hem gewoon dat hij thuis met schilderijen zeulde… maar bij  Plantexel? Thuis had hij de bergplaats goed gecamoufleerd tegen nieuwsgierige blikken. Geen enkele van zijn huisgenoten zou het aandurven het behang weg te trekken. Maar was dat ook zo voor een andere tijdelijke berging waar hij ’s nachts geen controle over had? Hoewel het kantoor van Plantexel op een boogscheut van het Noordstation lag (400 meter), was het niet raadzaam het als voorlopige bergplaats te gebruiken. Want hoe moest hij het ongezien ter plaatse brengen en verbergen?
En dan denken we weer aan de reeds besproken mobiele bergplaats. Water was volgens Arsène de beste plaats om iets te verbergen. Stel dat hij met een schip van Wetteren naar Brussel is gevaren. Achter het Noordstation bevond zich het Vergotedok. In die tijd kon je van het Bassin Vergote naar het Bassin de Batelage varen.[i] Het dok is later gedempt. Let op de naam die overeenstemt met die van het dok achter de Sint-Baafskathedraal. De wandelafstand van het Bassin de Batelage naar het Noordstation bedroeg 500 meter. Te voet leg je deze afstand af in zes minuten.
Maar waarom zou Goedertier de Sint-Jan de Doper een dag eerder op het schip verbergen? De volgende hypothese geeft een antwoord op die vraag. Enkele dagen na elf april lag het schip langs de kade van Wetteren. Sint-Jan de Doper werd boven de kast verborgen; De Rechtvaardige Rechters bleven op het schip. Kort daarna voer het schip via de Schelde de Willebroekse vaart op, richting Brussel. Vooraleer door te varen naar het Bassin de Batelage in Brussel, meerde het schip onderweg aan om De Rechtvaardige Rechters te verbergen. Het vaartuig werd, in de buurt van een treinstation, op een rustige plaats aangemeerd. Ondertussen zijn er acht dagen verstreken. Het is 19 april 1934.
Het duurde nog 36 dagen vooraleer Goedertier de bevestiging kreeg dat zijn voorstel werd aangenomen. Heel die tijd lag het vaartuig zonder buit op zijn kapitein te wachten. Op 25 mei was het dan eindelijk zo ver. Goedertier opteerde toen niet alleen voor een veilige methode om de grisaille terug te bezorgen, het gebeurde ook volledig naar de geest van zijn misdaadromans. Op 26 mei begaf hij zich naar het schip om het grondig te inspecteren. Hij nam zijn tijd, schaduwde het schip uitgebreid – want de kans bestond dat de politie op het spoor was gekomen van zijn geheim wapen. Toen de kust veilig bleek, reed hij er de volgende dag, kort na de middag, heen. Zijn Chevrolet parkeerde hij in de buurt, hij nam de grisaille uit de wagen en wandelde ermee naar het schip. Het lag langs een rustig deel van de vaart, hij kon dus ongestoord te werk gaan. Daarna voer hij naar het Bassin de Batelage, meerde aan op een goede plek, nam in het Noordstation de trein. Hij stapte uit aan het station waar hij eerder zijn Chevrolet had achtergelaten, en reed met zijn wagen naar huis. Tegen het avondmaal was hij terug thuis en lag de grisaille vlakbij het Noordstation te wachten op zijn restitutie.
De volgende dag reed Goedertier vroeg in de ochtend met de trein van Wetteren naar het Noordstation van Brussel. Hij haalde het schilderij uit het schip, dat 500 meter verder lag aangemeerd, en wandelde ermee terug. Om acht uur gaf hij het in bewaring aan de stationsambtenaar. Na het depotbiljet ter plaatse te hebben gepost, klom hij terug aan boord en bracht het schip terug naar zijn eigenaar. Als het schip was afgehuurd van iemand uit het Gentse, moest hij zo’n 100 km varen.[1] Dit nam algauw een hele dag in beslag. Maar dat was geen probleem, zijn geheim wapen had geen functie meer, de toestand was terug genormaliseerd, alle sporen waren uitgewist. Daarom moest Sint-Jan de Doper zo vroeg in de morgen afgegeven worden (en een dag eerder naar het schip gebracht worden): voerde hij alles in één dag uit, dan bleef zijn Chevrolet aan de vaart staan. Als hij het schip dan tegen de avond terug aan de eigenaar bezorgde, kon hij niet meer over zijn auto beschikken. Het was altijd mogelijk dat Julienne of iemand anders de afwezigheid van de wagen opmerkte en lastige vragen ging stellen. Na de restitutie van de Sint-Jan de Doper was het ook niet aangewezen om de Chevrolet een hele nacht onbeheerd achter te laten. Daar kwam nog bij dat hij meer tijd nodig had, als hij alles in een dag wilde uitvoeren.  Want dan zou hij eerst nog naar de Bassin de Batelage moeten varen, en dit was misschien niet zo ver, maar aan de sluizen van het Bassin de Vergote kon hij veel tijd verliezen. Tijd die hij nodig had om het schip terug naar het Gentse te varen.
Goedertier bewaarde de grisaille een tijdje thuis, omdat hij niet wist hoelang de onderhandelingen zouden duren. Hij was er vrij gerust in dat een schilderij voor een achttal dagen onder behoorlijke omstandigheden op een schip bewaard kon worden, maar zou dit nog het geval zijn voor meerdere maanden? De afgifte van de grisaille was een delicaat moment in zijn draaiboek, en hij nam dan ook de nodige voorzorgsmaatregelen. Arsène Lupin stond bekend om zijn meesterlijke vermommingen; met enkele eenvoudige ingrepen slaagde de gentleman-inbreker erin incognito op te treden. Toen de stationsambtenaar werd verhoord, omschreef hij de persoon die het paneel afleverde als ‘eerder klein van gestalte, vrij mollig, ongeveer 50 jaar, uiterlijk vrij welstellend, zwart haar, een snor en een grijs puntbaardje’. Had Goedertier zich vermomd met een vals baardje?
De ambtenaar vroeg of het om een schilderij ging, Arsène reageerde laconiek en ontkennend: het was een plank. Hij kreeg een depotbiljet en voegde dit bij zijn derde brief, kleefde de groene omslag dicht en postte hem ter plaatse. Goedertier leverde de Sint-Jan de Doper dus zelf af; als hij al handlangers bij de zaak betrok, wilde hij niet het risico lopen dat de inhoud van deze belangrijke brief door derden werd gelezen. Een uitspraak van Goedertier doet evenwel vermoeden dat hij alleen handelde. De perfecte misdaad, zo legde hij uit, was ‘…een diefstal helemaal alleen, zonder ook maar een medeplichtige…’[ii] Nochtans merkten onderzoekers eerder al op dat Goedertier op deze manier ook een ernstige onvoorzichtigheid beging. Rudy Pieters verwoordde het zo: ‘Door het depotbiljet meteen te verzenden hield D.U.A. de periode dat hij niet over Johannes de Doper (Sint-Jan) kon waken, zeer kort. Dat hield een risico in. Zodra de bisschop de brief ontving, kon het gerecht het stationspersoneel ondervragen, en hoe minder lang de afgifte geleden was, hoe groter de kans dat een bediende zich een gezicht zou herinneren. Dat bleek inderdaad het geval.’[iii] Karel Mortier, Noël Kerckhaert en Jos Cels hielden het bij dezelfde conclusie. Maar was het wel een onvoorzichtigheid? Misschien had Goedertier een goede reden waarom hij de brief zo snel postte! Hij was verstandig genoeg om de risico’s onder ogen te zien. Hier gaan we later verder op in.
Waar iedereen blijkbaar overheen heeft gekeken, is dat Arsène Goedertier een nog veel groter en zinloos risico liep. Hij gaf de grisaille kosteloos terug, als zogenaamd bewijs dat hij ook in het bezit was van De Rechtvaardige Rechters.  De reactie van de stationsbediende viel echter niet te voorspellen. Wat als deze zich van de inhoud van het pakket wilde vergewissen? Wetend dat er kort daarvoor een grote kunstdiefstal was gepleegd, stelde deze attente man inderdaad de vraag of het pak geen schilderij bevatte! En dan hebben we het nog niet gehad over Sint-Jan de Doper die gedurende meerdere weken bij Goedertier thuis werd verborgen. Terwijl hij aan de slag was met de grisaille werd hij betrapt door zijn meid! Hoeveel penibele situaties hebben zich nog voorgedaan? Thuis, of ergens onderweg tussen Wetteren en het Noordstation van Brussel, bestond er een reëel gevaar op ontdekking!
Twee belangrijke elementen dienen dan ook verder geanalyseerd te worden: de gebruikte methodiek om het bewijs te leveren, en om de grisaille terug te geven. Er waren veel eenvoudiger en veiliger manieren om te bewijzen dat hij in het bezit was van beide kunstwerken. We kunnen dit illustreren met de volgende anekdote. Op 23 en 29 juli 1935 ontving het bisdom de afpersingsbrieven van een zekere ‘T.O.R. 24’ die beweerde in het bezit te zijn van De Rechtvaardige Rechters. Hierop besloot het gerecht in La Dernière Heure de volgende tekst in te lassen: ‘T.O.R. 24. Donn. description revers obj.’ Het was dus voldoende om een beschrijving te bezorgen van de geparketteerde achterkant van beide panelen om te bewijzen dat men ze bezat. Commissaris Luysterborgh maakte hierover de volgende opmerking: ‘Daar de rugzijde van het nog vermiste paneel op een bijzondere wijze afgewerkt is, en nl. door latten beslagen is, denken wij dat een persoon die niet in ’t bezit is van het paneel op geen bevredigende wijze de gevraagde beschrijving zal kunnen geven.’[iv]
Als Goedertier deze methode had toegepast, zou hij zich heel wat moeilijkheden bespaard hebben. Er was nog een andere optie: een klein stukje van de parkettage afzagen en opsturen, zodat men kon vergelijken met het houten bindwerk van een van de andere zijluiken. We kunnen ook heel wat bedenkingen maken bij de werkwijze waarmee Goedertier de grisaille heeft terugbezorgd. Voor De Rechtvaardige Rechters wilde hij de plaats aanduiden waar men het schilderij kon ophalen, een methode die voor hem niet het minste gevaar opleverde. Waarom hanteerde hij dan voor Sint-Jan de Doper niet dezelfde modus operandi?
Na de diefstal was het logischer geweest beide panelen weg te stoppen in een geheime bergplaats, desnoods op twee verschillende locaties die geen van beide met zijn persoon gelinkt konden worden. Dat zou hem een stevige basis opgeleverd hebben om tot de onderhandelingen over te gaan. Met een beschrijving van de achterkant van de schilderijen kon hij bewijzen dat ze in zijn bezit waren. Wilde hij de grisaille gratis teruggeven, dan kon hij simpelweg de plaats aanwijzen waar Sint-Jan de Doper te vinden was. Waarom wilde hij dat overigens absoluut doen, en gratis nog wel? Het paneel had een grote waarde, minder dan De Rechtvaardige Rechters, maar toch. Het lijkt erop dat de ingewikkelde constructie die Arsène Goedertier uitbroedde een doel diende dat tot dusver nog niet de revue is gepasseerd... Ik heb er al op gewezen dat we in dit geval niet over een conventionele afpersing mogen spreken. Hier is meer aan de hand. En we kunnen het geheim van Arsène Goedertier alleen achterhalen als we elke eigenaardigheid, hoe klein ook, secuur bestuderen.
Na de teruggave van de grisaille, en in de volgende (derde) afpersingsbrief, schreef Goedertier nog: ‘Over drie dagen zullen wij u het adres bezorgen van de persoon aan wie u het pakje zult moeten bezorgen dat onze commissie bevat, in overeenstemming met onze vroegere aanwijzingen. Gelieve het nodige te doen opdat het verzegelde pakje onmiddellijk aan de aangewezen persoon overgemaakt zou worden.’ Hij was er toen al zeker van dat het adres, waar men het losgeld binnen de drie dagen moest afleveren, door hem gekend zou zijn. Daar moest dan het pakje aan een ‘aangewezen persoon’ worden afgeleverd.


Drie dagen later, op 31 mei, volgde de vierde afpersingsbrief. Op de derde regel van deze brief liet hij aanvankelijk plaats open en typte er een stippellijn. Later werd op deze stippellijn het gedeeltelijke adres van pastoor Meulepas getypt. Het valt op dat hij aanvankelijk veel te weinig ruimte voorzag om het volledige adres te kunnen typen. Onderaan de brief werd dan het adres van pastoor Meulepas volledig weergegeven. Op de doorslag van deze brief, die na zijn dood bij hem thuis werd gevonden, was dit adres niet terug te vinden.
Dit betekent dat hij na het typen van zijn tekst de brief uit de typemachine haalde, en het blad er later zonder carbon terug instak om het bewuste adres op de stippellijn te typen. Dit kan men ook opmaken uit het gegeven dat het adres op een andere hoogte is getypt dan de voorgaande woorden uit dezelfde zin.
Op 27 juni 1935 verklaren de gezusters Breydels (Bertha en José), die tegenover de Tekenacademie van Wetteren wonen, aan inspecteur Aerens, dat ze Goedertier ‘verleden jaar, in den loop van den zomer, denkelijk vanaf juni, minstens een vijftiental keren in de Academie zien binnengaan’. Ze zagen hem ook een keer een draagbare schrijfmachine naar binnen dragen. Diezelfde avond verliet hij de tekenschool zonder schrijfmachine.[v]
Hieruit zouden we kunnen afleiden dat Goedertier, nadat hij zijn derde brief in Brussel had gepost, naar huis was gereden om zijn vierde brief voor te bereiden. Toen die klaar was, begaf hij zich met het klad naar de Tekenacademie in Wetteren. In het beste geval reed hij er diezelfde maandag nog naartoe. Hij typte daar zijn vierde brief, zonder het adres van pastoor Meulepas te vermelden. Daarna haalde hij deze brief samen met zijn doorslag uit de typmachine en reed hij terug. Omdat het te gevaarlijk was om deze brief op de academie of thuis te bewaren, borg hij hem waarschijnlijk op in een kluis. Om de belofte waar te maken die hij in zijn derde brief had gedaan, beschikte hij nu nog over twee dagen om het adres voor het losgeld te zoeken. Nadat hij die keuze had gemaakt, moest hij het adres van pastoor Meulepas nog op de brief typen (hij gebruikte hiervoor hetzelfde toestel). En dus moest hij eerst zijn brief uit de kluis halen en zich daarna naar de Tekenacademie begeven, enkel en alleen om het adres van Meulepas op de originele brief te typen. De doorslag werd niet meer gebruikt.
Maar deze redenering loopt duidelijk mank. Iedereen is het erover eens dat Goedertier het hele opzet grondig voorbereidde. Het is dan ook onlogisch dat hij zich maar enkele dagen zou geven om een adres te zoeken waar men het losgeld moest afleveren – toch veruit de meest cruciale fase in de afpersing. De kans was reëel dat men zou proberen hem te onderscheppen, een reden te meer om de locatie zorgvuldig te kiezen. En waarom zou hij zo lang gewacht hebben om op zoek te gaan naar een geschikte locatie? Wat hield hem tegen om dit veel eerder te doen?
Eerder zagen we dat hij zijn eigen naam en adres bewust verkeerd spelde in de AMDG-brief die hij naar zichzelf stuurde. Zo kon hij zijn onschuld en onwetendheid aantonen, als men hem bij de aflevering van het losgeld zou arresteren. Was het gebruik van de stippellijn een andere manier om speurders op het verkeerde been te zetten? Hij kon evengoed plaats open gelaten hebben. Een stippellijn wordt in het algemeen gebruikt bij voorgedrukte formulieren die later door derden ingevuld moeten worden. Wilde Goedertier er zichzelf op wijzen waar het adres later moest ingevuld worden? Dit lijkt een beetje absurd. Het voelt meer aan als overacting. Zonder stippellijn zou het minder opvallen dat het adres er later was aan toegevoegd. Nu bestaat hier geen twijfel over. Bovendien liet hij veel te weinig plaats open. Zo liet hij uitschijnen dat het adres van pastoor Meulepas toevallig en op het laatste moment was uitgekozen. Lag het adres van pastoor Meulepas bijgevolg al veel vroeger vast dan rond de 30ste mei? Maar waarom wilde hij dan zo uitdrukkelijk het tegenovergestelde laten uitschijnen? Wat was er zo speciaal aan deze locatie dat hij het belang ervan wou verdoezelen?

Eerder werd al uiteengezet dat Arsène Goedertier de Sint-Jan de Doper misschien met een bepaalde bijbedoeling in het Brusselse Noordstation afleverde. Maar ook met de keuze van het adres voor de aflevering van het losgeld kan hij een geheime bedoeling gehad hebben…



[1] De Denderbode schreef op 1/7/1909 dat de drie gebroeders Comhaire door de gendarmen werden gevat na een ‘geldafpersing bij middel van dreigbrieven’. Ze droegen hun slachtoffers op om een gevulde geldbeugel, met een kurken stop aan een koord, in het water te laten zakken waarna ze de buit op een onbewaakt ogenblik kwamen oppikken. Bleek dat ze hun boot hadden ‘afgehuurd bij den heer Dua, Coupure’. Volgens een Gentse postkaart verhuurde P. DUA boten aan de Bijlokekaai. In zijn atelier aan de Rooigemlaan vervaardigde hij ‘vaartuigen van allerlei aard’.





[i] Kaart Bruxelles (31/3), Imp. Litho de l’Institut Cartographique Militaire 1935.
[ii] La Flandre Liberale, 22 mei 1935
[iii] De wraak van het Lam Gods, p. 69, Rudy Pieters, 2004, Uitgeverij Van Halewyck
[iv] Proces verbaal 1549, 3 augustus 1935, Gerechtelijke politie Gent, Gerechtelijk dossier Gent
[v] Proces verbaal 1367, Gerechtelijke Politie Gent, 28 juni 1935 (gerechtelijk dossier Gent)

maandag 16 juni 2014

1.7. De symboliek van het Lam Gods



1.7. De symboliek van het Lam Gods

De achtergrond en algemene compositie van het Lam Gods verraden de inspiratiebronnen. Van oudsher is Sint-Jan de Doper de patroon van de plaatselijke parochiekerk en de stad Gent. Toen de gebroeders Van Eyck in de vijftiende eeuw het Lam Gods voltooiden, werd de Sint-Baafskathedraal nog naar deze patroonheilige de Sint-Janskerk genoemd.[i] Joos Vijd maakte deel uit van de Sint-Jansparochie. Dit heeft er in die tijd ongetwijfeld toe bijgedragen dat Sint-Jan de Doper een vooraanstaande plaats kreeg in het Lam Gods. Hij staat afgebeeld boven het middenpaneel, naast God de Vader, die hij aanwijst. Van Eyck heeft er in het Latijn de volgende tekst bij geschreven: ‘Dit is Johannes de Doper, groter dan de mens, aan de engelen gelijk, samenvatting van de wet, zaaiing van het Evangelie, stem van de Apostelen, stilzwijgen van de profeten, lamp van de wereld, getuige van de Heer.’
Sint-Jan de Doper vinden we ook op een andere plaats op het Lam Gods terug. Op de teruggegeven grisaille wijst deze heilige naar het Lam dat op zijn linkerarm ligt. Hierover schrijft Elisabeth Dhanens: ‘De keuze van het thema van het Lam houdt duidelijk verband met het lokale patroonschap van Sint Jan de Doper, patroon van de kerk en van de stad, waar Joos Vijd respectievelijk kerkmeester en schepen was.’[ii] Peter Schmidt sluit zich hierbij aan: ‘We wijzen erop dat de thematiek van het Lam ook door parochiale overwegingen kan ingegeven zijn. Het Lam is immers ook het attribuut van Johannes de Doper, patroonheilige van de toenmalige Sint-Janskerk. Johannes de Doper staat trouwens tweemaal op het retabel afgebeeld. Het Lam Gods is zijn attribuut. Het was immers Johannes de Doper die volgens het vierde evangelie Christus met deze benaming aanwees aan zijn leerlingen (Joh.1,36).’[iii]
Wat de dogmatische, theologische inhoud van de voorstelling betreft, laat het abstracte karakter van het onderwerp heel wat vrijheid tot interpretatie.[iv] Dat de invulling van het veelluik door de eeuwen heen evolueert, merken we aan de steeds veranderende benaming die het meekrijgt. Na de Joos Vijds taeffele werd het de tafel van Adam en Eva. Later werd het Triomphe de l’Agnus Dei (1567), Triumphus Agni Coelestis (1641), Het Paeschlam (1734), L’agneau de l’Apocalypse (1763), Le tableau où les vieillards adorent l’Agneau (1769), L’adoration de l’agneau par les vieillards du chap. IV de l’Apocalypse (1772) en het Lam Gods.[v]
De benamingen uit 1763 en 1772 wijzen op het belang van het boek Apocalyps, dat ook de Openbaring van Johannes wordt genoemd. Het Griekse woord ‘apocalyps’ betekent gewoon ‘openbaring’: in dit geschrift onthult God Zijn geheimen aan de mensen, via visioenen. Het boek beeldt de strijd uit tegen het Beest dat de wereld in het verderf stort. Na de overwinning op het Beest volgt Gods oordeel en de definitieve doorbraak van zijn heerschappij over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Peter Schmidt schrijft: ‘Het Lam Gods is een symbool voor Jezus Christus. Het christelijk geloof belijdt dat Jezus Christus de Messias is, God en mens, die door zijn kruisdood en verrijzenis de zondige mensheid gered heeft. Hij is de middelaar tussen God en mens, die de toegangspoort heeft geopend voor het eeuwig leven. Door zijn woord en voorbeeld heeft hij ook alle mensen de weg gewezen om door liefde en gerechtigheid het “Rijk der Hemelen” binnen te treden.’
Dat Jezus Christus als een Lam wordt voorgesteld, heeft te maken met het Nieuwe Testament. Meer bepaald is de auteur van het boek Apocalyps verantwoordelijk voor de uitwerking van deze symboliek. Het grote ‘visioen van het Lam’ begint in dit boek als volgt: ‘Toen zag ik tussen de troon met de vier dieren en de kring van de oudsten een Lam, staande, als geslacht…’ (Apk 5:6).’[vi]

Elisabeth Dhanens: ’Het heerlijk glooiend landschap, overwegend groen op het middenpaneel, enigszins rotsachtig op de zijpanelen, stelt het eeuwige paradijs voor: een grazige weide met bloemen, sommige met symbolische betekenis, struikgewas en heesters, bosschages en hoge bomen; de gezichtseinder afgesloten door de gebouwen en torens van het Hemels Jerusalem (Apk 3:12 en 21:2), met in het midden een smal vergezicht op een blauwachtig stroomlandschap.’[vii] ‘… en zie, op de berg Sion stond het Lam (Apk 14:1) … Voor het altaar staat een sierlijke fontein, de Fons Vitae of levensbron (Apk 7:17; 21:6; 22:1; 22:17), …’[viii]
Zij geeft vervolgens een eigentijdse interpretatie: ‘De Allerheiligenliturgie, inhoudende als belangrijkste element de Aanbidding van het Lam volgens de Apocalyps, is dus wel de voornaamste, ofschoon niet de enige literaire bron van de uitbeelding; niet de Apocalyps als zodanig. Immers in het Lam Gods vinden we verder niets van de dramatisch bewogen geest van dat Schrift, noch van zijn fantastische beeldspraak. Slechts één zinsnede in de Openbaring kan de algemene stemming van het Lam Gods weergeven, en we weerstaan niet aan de verleiding ze te citeren: … zodra Het (Lam) het zevende zegel had geopend, kwam er een stilte in de hemel, een half uur lang (Apk 8:1). In deze stilte willen wij het kunstwerk beschouwen.’[ix]
Hierbij geeft ze kritiek op anderen die gemeend hebben ‘te moeten opklimmen tot een abstracte, algemeen geldende hoofdgedachte die alle panelen van de polyptiek, de buitenluiken inbegrepen, tot een uiteindelijke eenheid smeedt, nl. Het dogma van de verlossing van het mensdom door het offer van Christus.’ Hiermee doelt ze op kanunnik Van den Gheyn (1920) en Leo van Puyvelde (1959).[x]  Voor ons is de interpretatie van kanunnik Van den Gheyn belangrijker omdat de kans groot is dat hij op zijn beurt Arsène Goedertier heeft beïnvloed bij zijn interpretatie van het retabel. Van latere auteurs was er toen immers nog geen sprake. Hier komen we later op terug.




1.8. Analyse van de gebeurtenissen

Heeft de betekenis van het gestolen object invloed gehad op het motief van de diefstal? In het gerechtelijk dossier vinden we niets terug waaruit blijkt dat de vroegste onderzoekers zich de vraag stelden. Ook in de non-fictie literatuur die later over de diefstal verscheen, is er nauwelijks iets over terug te vinden. Hoogstens vroeg men zich al eens af waarom juist de Sint-Jan de Doper en De Rechtvaardige Rechters werden gestolen. Antwoorden hierop werden dan vanuit praktisch oogpunt gezocht. Wel waren er fictie-auteurs die een poging ondernamen. Zij vertrokken dan bij het Lam Gods zelf, zonder enig aanknopingspunt te hebben met de werkelijke beweegredenen van de dader.
Maar de grootste lacune zelf is terug te vinden in de analyse van de gebeurtenissen die na de diefstal plaatsvonden. Zo is er heel wat geweten over de behandeling die de grisaille heeft gekregen tussen de diefstal en de teruggave. Afgezien van de geheime bergplaats van De Rechtvaardige Rechters, verkreeg men over dit paneel toch ook heel wat inlichtingen. En dat uit de mond van de dader zelf. Tegenover kennissen en familieleden loste hij hierover heel wat informatie. Op die manier kon hij later, als de zaak ooit opgelost raakte, pochen met zijn vernuft. Ook in zijn afpersingsbrieven lichtte hij hier en daar een tipje van de sluier op. Zo botsen we op heel wat eigenaardigheden waar de nodige vragen bij gesteld moeten worden, en die nooit zijn opgemerkt, laat staan bestudeerd. De analyse die hier volgt, is uitsluitend gebaseerd op feiten. Er wordt vooral rekening gehouden met de bevindingen van het gerechtelijk onderzoek, de afpersingsbrieven van Arsène Goedertier, en de primaire getuigenissen van mensen die zijn handelingen en uitspraken beschreven tijdens de periode van de afpersing. 



[i] In 1540 werd de Sint-Janskerk omgedoopt tot Sint-Baafskathedraal: Van Eyck, p. 88, 1980, Elisabeth Dhanens, Mercatorfonds
[ii] Van Eyck, p. 88, 1980, Elisabeth Dhanens, Mercatorfonds
[iii] Het Lam Gods, p. 33, 1995, Peter Schmidt, Davidsfonds/Leuven
[iv] Het retabel van het Lam Gods, p.42, 1965, Dr. Elisabeth Dhanens, Provincie Oost Vlaanderen, Inventaris van het kunstpatrimonium.
[v] Het retabel van het Lam Gods, p.43, 1965, Dr. Elisabeth Dhanens, Provincie Oost Vlaanderen, Inventaris van het kunstpatrimonium.
[vi] Het Lam Gods, p. 17, 1995, Peter Schmidt, Davidsfonds/Leuven
[vii] Het retabel van het Lam Gods, p.48, 1965, Dr. Elisabeth Dhanens, Provincie Oost Vlaanderen, Inventaris van het kunstpatrimonium.
[viii] Het retabel van het Lam Gods, p.49, 1965, Dr. Elisabeth Dhanens, Provincie Oost Vlaanderen, Inventaris van het kunstpatrimonium.
[ix] Het retabel van het Lam Gods, p.48, 1965, Dr. Elisabeth Dhanens, Provincie Oost Vlaanderen, Inventaris van het kunstpatrimonium.
[x] Het retabel van het Lam Gods, p.46, 1965, Dr. Elisabeth Dhanens, Provincie Oost Vlaanderen, Inventaris van het kunstpatrimonium.

Podcast Mysterieus België

Podcast Ware Misdaad