De Openbaring van Arsène Goedertier

De Openbaring van Arsène Goedertier

maandag 2 juni 2014

1.5 Arsène Goedertier



Arsène Theophile Victor Goedertier wordt op 23 december 1876 in Lede geboren. Hij komt uit een grote, respectabele familie.
Vader Emile heeft jarenlang in het onderwijs gestaan. Tijdens de schoolstrijd in 1879 geeft hij als katholiek zijn ontslag. [i] Naar aanleiding van deze schoolstrijd wordt er op 2 juni 1879 in Lede een bedevaart gehouden ‘tot welzijn van ’t Vaderland en om den Triomf der Kerk te verhaasten’.[ii] In 1880 wordt hem een baan als koster in Overmere aangeboden.[iii] In 1883 volgt het kosterschap in Wetteren en gaat de familie in de toenmalige Zandstraat 41 wonen (later nr. 15).
Emile en Maria Wandels krijgen twaalf kinderen: zeven zonen en vijf dochters, van wie Arsène en zijn jongere broer Valère in 1934 nog als enigen in leven zijn.
Omdat Arsène volgens zijn vader geen studiegeest bezit, wordt hij naar de Bisschoppelijke Normaalschool in Sint-Niklaas gezonden. Op 14 juli 1896 krijgt hij als primus van de klas het diploma van koster-organist.
Op 3 september 1903 behaalt hij zijn diploma van de tweede graad ‘met zeer goeden uitslag’. [iv] Maar Arsène neemt het zijn vader kwalijk, dat hij in diens voetsporen moet treden,[v] terwijl zijn oudere broers de gelegenheid krijgen om hogere studies te volgen. Zijn oudste broer Edmond wordt rechter in Antwerpen en Adhemar is arts. Jozef en Valère kunnen zich vestigen als zelfstandigen: Jozef heeft een drogisterij aan de kerk van Wetteren en Valère is juwelier in Sint-Niklaas. Ook zijn zus Isabella heeft zich een zekere status kunnen aanmeten. Zij is getrouwd met de Dendermondse juwelier Ernest Vanden Durpel.
Van 1903 tot 1904 volgt Arsène de opleiding schilderkunst aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Dendermonde. Daar hangt in een tekenlokaal een reproductie van het Lam Gods. Opnieuw wordt hij de beste van de klas.[vi] Zes jaar later, in 1909, is hij een van de stichters van het christelijke ziekenfonds De Eendracht. Als voorzitter ontpopt hij zich zelfs tot architect van Het Werkmanshuis, dat zich schuin tegenover zijn eigen woning bevindt. Hij ontwerpt zelf het plan voor dit gebouw waar de diensten van de mutualiteit kunnen ondergebracht worden.[vii] In 1910 begint hij les te geven in de Tekenacademie van Wetteren[viii] waar hij op het einde van zijn leven tot directeur wordt benoemd.[ix] Op 22 oktober 1910 wordt hij ook aangesteld als lesgever aan de Weef-en Beroepsschool in Kalken, waar hij [x] teken-en werktuigkunde onderwijst.[1]
Op 25 januari 1911 volgt Arsène zijn ondertussen overleden vader op als koster van de  Wetterse Sint-Gertrudiskerk.[xi] Door deze functie en bepaalde familiebanden heeft hij goede relaties binnen het kerkelijk milieu. Hij is zelfs zeer goed bevriend met Honoré Coppieters, de latere bisschop van Gent, met wie hij drie jaar op dezelfde school zat. Toen het gezin Goedertier van Overmere naar Wetteren verhuisde, was Arsène zes en Coppieters acht jaar oud.[xii] Voor de rest is een broer van Arsène, dokter Adhemar, verloofd geweest met Maria Joliet, wiens broer dan weer Monseigneur Oscar Joliet is, de huisprelaat van de Paus en de  voorzitter van het Belgisch College in Rome.[xiii] Arsènes grootvader Ludovicus is ook koster geweest,[xiv] zijn neef Hilaire was koster in Lede, en drie ooms waren priester.[xv] En Arsène is ook goed bevriend met Emiel De Groote, de orgelist van de Sint-Baafskathedraal. Hun vriendschap is waarschijnlijk ontstaan op de Bisschoppelijke Normaalschool.[xvi]
Op 3 november 1915 trouwt Arsène Goedertier met de welgestelde en bijna acht jaar jongere Française Julienne Minne, die een bedrijfje heeft in breigoederen.[xvii] Julienne trekt bij Arsène in, die nog steeds in de ouderlijke woning in de Zandstraat woont. Enkele jaren later komt er een totale ommekeer in zijn leven. Nadat hij is gestopt met lesgeven aan de tekenacademie van Wetteren, geeft hij op 6 juli 1919 ook zijn ontslag als koster.[xviii] Julienne verkoopt haar breiwinkel en samen beginnen ze met een wisselkantoor in hun eigen woning. De tante van Julienne is gehuwd met de Gentse wisselagent Jules Dossche.[xix] Heeft de standing van deze man hen op het idee gebracht dezelfde richting uit te gaan? Een oude man getuigt in De Dag dat hij Goedertier eens met ingehouden nijd hoorde verklaren: ‘De grootste fout die ooit mijn vader heeft begaan, was koster van mij te maken. Ik wil rijk worden! Ik wil veel geld hebben.’[xx] Iedereen probeert hij met zijn vlotte babbel aandelen aan te praten, tot zelfs Alfons Hebberechts in de Vijdkapel toe.[xxi]
Zo stond het in De Standaard:
Men verhaalt dat hij zekeren dag in een burgersgezin binnenkwam, en zijn verbazing uitdrukte over het feit dat er haring werd geëten.
‘Eet gij haring’, vroeg M. Arsène verwonderd? ‘Als ge wilt kunt ge alle dagen biefstuk eten. Geef me uw geld en ik zal ermee speculeren.[xxii]
In 1922 wordt de Zandstraat[2] herdoopt in Wegvoeringsstraat[xxiii] en op 24 november van dat jaar ziet het enig kind van het echtpaar Goedertier het levenslicht: Adhemar. De rosharige jongen, bijgenaamd Dédé, is een zorgenkind. Hij lijdt aan glaucoom, een voor die tijd ongeneeslijke oogziekte. Tot zijn tiende krijgt hij privélessen thuis en heeft hij amper contact met leeftijdsgenoten.[xxiv] Op zondag gaat hij samen met zijn vader al eens naar de markt van Wetteren: na de mis laat Arsène zijn zoontje marcheren en rechtsomkeer maken, terwijl hij in het Frans bevelen geeft ‘gelijk een korporaal’.[xxv]
In 1927 koopt het gezin Goedertier iets verderop in de straat een statig herenhuis, waarin ze niet alleen wonen, maar ook hun wisselkantoor onderbrengen. Het zijn de gloriejaren van Arsène. Zich zeer bewust van zijn status, geld en macht, toert hij rond in zijn dure wagen[3] die hij steeds opzichtig voor zijn statige huis parkeert. Uitmuntend gekleed flaneert hij door de straten en klampt iedereen aan om over de meest diverse onderwerpen uit te wijden. Zijn interesses gaan van schilderkunst en muziek over wetenschap, techniek, politiek, economie, literatuur en poëzie… tot de meest fantastische onderwerpen. Zo spreekt hij over een toekomstige landing op de maan en over planetaire reizen. Vanwege die ideeën wordt hij in Wetteren ‘Jules Verne’ genoemd.[xxvi]
Een anonieme Wetteraar verklaart in de krant: ‘Hij kon toch zo babbelen en uitleggen en wat hij zwart vond, kon niemand ter wereld hem wit doen voorkomen. Hij kon urenlang spreken over uitvindingen en wat nog zou komen en nog moest komen. Niet iedereen was het gegeven hem dan te volgen in zijn wetenschappelijk betoog. Een echte Jules Vernesgeest.’[xxvii]
Anderen vertellen dan weer dat hij altijd gelijk wil hebben, ‘zelfs na discussies die dikwijls uren duurden.’ Hij wordt een ‘welweter’ genoemd.[xxviii] Dokter De Cock, die goed bevriend is met Goedertier, vertelt in De Standaard: Het was een zeer excentriek man. Arsène Goedertier was geen gewoon mens. Hij had zijn speciale manier van doen en van denken die heel zonderling was. Hij heeft zeker nooit tekenen van krankzinnigheid gegeven, doch kon evenmin een normaal mens genoemd worden. Hij klapte over alles, wijdde uit over de meest onbenullige dingen, zodat men hem soms wel graag kwijt was, omdat hij tot vervelens toe maar uitlegde en uitlegde zonder einde.’[xxix]
Aan Henry Koehn vertelt De Cock enkele jaren later dat Goedertier hem soms te voet vergezelde van het station van Wetteren naar huis. In normale omstandigheden nam de tocht ongeveer een kwartier in beslag, maar met Arsène erbij liep het gemakkelijk op tot drie kwartier. Onderweg begon hij dan bijvoorbeeld een uiteenzetting te geven over hoe hij vliegtuigen wilde bouwen, waarbij hij even stil bleef staan om naar de vogels te kijken en toelichting te geven over de manier waarop hij zich voor zijn ontwerp zou laten inspireren  door hun vliegtechniek. Wilde De Cock verder gaan, dan hield Arsène hem tegen en vroeg nog even naar dit of dat te luisteren. Volgens De Cock stond Goedertier in Wetteren dan ook bekend als een ‘zeveraar (…) die voortdurend vertelt zonder iets te zeggen’. Ook volgens advocaat Georges De Vos was Arsène een eindeloos verteller die zich graag interessant wilde maken: ‘Hij kon dan twee of drie uren onafgebroken vertellen, zodat de overige mensen die erbij zaten zelfs niet aan het woord konden komen en altijd maar naar hem moesten luisteren.’[xxx]
Men was Arsène Goedertier dan ook al eens liever kwijt dan rijk. Bovendien verwoordde hij de dingen zo dat hij door weinig mensen werd begrepen. De gewezen directeur van de Wetterse Tekenacademie, Prosper Boss, verklaart op 8 oktober 1936 aan commissaris Luysterborgh: ‘Verder had ik kunnen vaststellen dat Goedertier, die gelast was met de lessen in de doorzichtkunde, zijn onderwijs op zo’n manier gaf dat zijn leerlingen er absoluut niets van verstonden, en was ik verplicht daarvan verslag in te dienen.’ Een bekende van Goedertier getuigt dat hij aan een kerkganger vanop het doksaal van de Sint-Gertrudiskerk een uiteenzetting gaf over hoe je een bepaalde kerksteen kon aanduiden en welke berekeningen hiervoor gemaakt moesten worden.[xxxi]
Op 14 oktober 1936 verklaart Alfred Snoeck, griffier aan het arrondissements-commis-sariaat van Gent en tevens getuige op het huwelijk van Goedertier, aan commissaris Luysterborgh: ‘Ik ben eigenlijk niet in betrekking gebleven met Goedertier omdat het zo’n extravagante persoon was en dat hij iedereen lastig viel door zijn onuitstaanbaar gebabbel.’  De  neef van Arsène, Jean-Louis Goedertier, beaamt dat Arsène tijdens de laatste jaren van zijn leven ‘een zaag’ was geworden.[xxxii] Advocaat De Vos omschrijft Arsène echter ook als ‘een origineel (…), een eerbaar en geachte man. Hij had geen dievennatuur.’ [xxxiii]
Voor Valère Goedertier is zijn broer Arsène ‘een goede en filantropisch ingestelde mens. Hij leefde eenvoudig, rookte niet en dronk evenmin, ging ook niet op reis. Voor zich wenste hij geen geld te bezitten.’ Hij noemt zijn broer ‘een speciale mens, hij was rap’.[xxxiv] Voor pastoor-deken Van Ongeval is Arsène ‘een mens met zonderlinge gedachten, geëxalteerd,[4] een wondere man’.[xxxv]
De overbuurvrouw verklaart Arsène goed te kennen. Hij kwam geregeld bij haar in de winkel om een babbel te slaan. Volgens haar sprak hij veel en over van alles. Hij was een goede knutselaar. Ze kreeg de indruk dat hij een soort wrok had tegen de Kerk en de priesters.[xxxvi] Voor René Uyttendaele, opvolger van de Wetterse burgemeester du Château, was Arsène ‘bij het gewone volk graag gezien. Hij deed ook veel voor hen. Als betere burger vond hij dat zijn plicht. Hij was ook erg betrokken bij het sociale leven van de gemeente’.[xxxvii] De secretaris van de Katholieke Partij, afdeling Gent, bestempelt Arsène als een van zijn intieme vrienden die informatie inwon over problemen van sociale en politieke aard. Hoewel hij zich inliet met katholieke werken, vertoonde hij ook communistische neigingen.[xxxviii] Volgens Julienne had haar echtgenoot niet de mentaliteit van een bankier: ‘Hij had de ziel van een kunstenaar, die er zijn genoegen in vond op het orgel te spelen van de parochiale kerk.’[xxxix]
Dat Arsène zijn talrijke ideeën ook dikwijls verwezenlijkte, bewijzen zijn vele schilderijen en gedichten. In het gemeentehuis van Wetteren hangt nog steeds het schilderij van Jean-Baptist Van de Velde, majoor-bevelhebber van de Wetterse Burgerwacht,[xl] dat hij maakte in 1913. Af en toe liet hij zijn werken bewonderen op tentoonstellingen[xli] en in De Schelde verschenen er geregeld stukjes proza van zijn hand.[xlii] Hij geeft teken- en muziekles en houdt politieke toespraken waarop prominente gasten aanwezig zijn. Een buurman zei: ‘Steeds met iets bezig, knutselen, rekenen, zoeken, proberen, enz.’[xliii]
Volgens De Vos dient Goedertier in 1932 of 1933 ook een aanvraag in voor een bezoek aan de koning. Hij wil Albert een plan voorleggen om de massale werkloosheid op te heffen.[xliv] En hij wordt ontvangen door de directeur van de vliegtuigfabriek Bréguet in Parijs, aan wie hij een vliegtuigmodel toont. Hoewel het zeer moeilijk is deze man te pakken te krijgen, voert Arsène twee gesprekken met hem: één van 25 minuten en één van anderhalf uur. Uiteindelijk zegt de directeur hem dat zijn ontwerp een te traag vliegtuig zal voortbrengen.  Vóór de oorlog was dit misschien nog interessant geweest, maar nu komt het erop aan zo snel mogelijke vliegtuigen te ontwerpen.[xlv]
Van zijn ontwerpen is niets bewaard gebleven, en dus kunnen we alleen nog raden naar zijn plannen, die wellicht – zoals hij dokter De Cock vertelde – waren geïnspireerd door de vliegtechniek van vogels. Doelde hij hiermee misschien op ‘winglets’ op de uiteinden van vliegtuigvleugels? Deze toepassing werd in 1897 door de Engelse ingenieur Frederick W. Lanchester uitgevonden[xlvi] en was inderdaad gebaseerd op de vliegtechniek van vogels: ‘Een winglet is een meestal opstaande verlenging van een vliegtuigvleugel die wervelingen in de lucht vermindert, waardoor het toestel efficiënter vliegt. De techniek is afgekeken van vogels die aan het eind van hun vleugels waaiervormig opgestelde slagpennen kennen, die naar boven kunnen worden gekruld.’[xlvii] De in Schotland geboren Amerikaanse ingenieur William E. Somerville was in 1910 de eerste die hier een patent op nam.[xlviii] Kort voor de Tweede Wereldoorlog verschenen de eerste gevechtsvliegtuigen die gebruik maakten van deze uitvoering. In de burgerluchtvaart brak ze pas door vanaf de jaren tachtig van vorige eeuw.
Arsène heeft een familieband met de Gentse Marthe Coupé. Af en toe brengt hij haar een bezoekje, ‘doch sinds een ruimen tijd wilde zij Goedertier niet meer ontvangen, daar hij haar kwam lastig vallen met urenlange gesprekken van politieken aard, iets dat Goedertiers stokpaardje was’.[xlix] Hoewel politiek een van zijn geliefkoosde onderwerpen is, heeft Goedertier zich nooit kandidaat gesteld tijdens verkiezingen. De enige echte politieke actie die we van hem kennen, vindt plaats vlak voor zijn dood, wanneer hij tijdens een  politieke vergadering een redevoering houdt. Het betreft een bijeenkomst van de Katholieke Unie, die in 1921 was opgericht en als doel had de verschillende standen van katholieke strekking tot een eenheid te smeden.[l] De vergadering boog zich over een herziening van de algemene statuten; Goedertier kreeg het woord als afgevaardigde van de Katholieke Kiesvereniging van Wetteren, en had het ‘over de noodzakelijke erkenning en aanneming der hogere en vrije beroepen.’ Na zijn uiteenzetting werd hij herhaaldelijk toegejuicht.[li]
Volgens zijn overlijdensbericht was Arsène ook bestuurslid van de Katholieke Kring (Cercle Catholique), een conservatieve strekking rond burgemeester Duchâteau.[lii] Camille Hoens, de secretaris van deze kring, vond dat Goedertier een katholiek was met communistische neigingen.[liii] Er zijn meer getuigenissen van mensen bekend die ongeveer hetzelfde opmerkten. In 1932 had Goedertier met de onderkoster van de Sint-Baafskathedraal, Alfons Hebberecht, nog een gesprek over het bolsjevisme en het communisme.[liv] Het Laatste Nieuws schreef op 18 mei 1935: ‘…dat Goedertier nota’s op zich droeg, met hieronder een telefoonnummer, dat hij had opgetekend, en dat het telefoonnummer was van de… communistische Rode Vaan te Brussel.’ Ook werd aan Kerckhaert en Mortier door bekenden van Goedertier toevertrouwd dat Arsène Das Kapital van Marx had gelezen en dat hij er bepaalde denkbeelden uit overgenomen had.[lv]
Op  30 maart 1928 wordt de Kongolese maatschappij Plantexel opgericht, oftewel deSociété de Plantation et d’Exploitation de l’Elaeis au Kasai’. Arsène Goedertier is de stuwende kracht achter de onderneming, waarvan hij zowel voorzitter als gedelegeerd-bestuurder wordt. Het directiecomité bestaat uit hemzelf, de Gentse advocaat Joseph Goedertier (een ver familielid) en de Ieperse handelaar Emiel Van Overstraeten. Emile Goedertier, zoon van broer Edmond, wordt directeur in Afrika. Het startkapitaal bedraagt 3 miljoen frank; Arsène neemt 1950 van de 6000 stichtersaandelen voor zijn rekening.[lvi] Drie jaar later wordt zijn echtgenote medeaandeelhouder met 4620 vijfden van de stichtersaandelen.
De maatschappij richt zich op de exploitatie van plantages van palmolie en koffie, en het verhandelen van allerlei Afrikaanse en Europese producten. Aanvankelijk is de administratieve zetel van de maatschappij gevestigd ten huize Goedertier. Later verhuist de zetel naar een kantoor in de Mechelsestraat 35 in Brussel, waar een bediende tewerkgesteld wordt. Op 16 maart 1932 wordt Arsène niet herkozen als gedelegeerd-bestuurder, maar opgevolgd door Emile Van Overstraeten. Later zal hij ook zijn ontslag aanbieden als lid van de Raad van Bestuur. In 1933 ontstaan er exploitatieproblemen in Kongo en op 14 november 1934 gaat de maatschappij failliet.[lvii] Het eerste jaar had Plantexel nog een kwart miljoen frank winst gemaakt.[lviii]  
Onmiskenbaar was Arsène Goedertier van veel markten thuis. Maar wat begeesterde hem het meest? Volgens de verklaringen van zijn eigen echtgenote hield hij zich vooral bezig met zijn activiteiten als amateur privé-detective. Op 1 juli 1935 getuigt ze aan Procureur des Konings Frans De Heem: ‘Mon mari lisait beaucoup de romans policier; déjà des son jeune âge, il lisait des publications de Nick Carter, dont il possédait des paniers entiers.’ [lix] Nick Carter is een detective die dankzij zijn handigheid en scherpzinnigheid op het spoor komt van gezochte boeven. Hij is een meester in vermommingen en verplaatst zich meestal per trein, per boot of met een koets. De op te sporen buit wordt doorgaans verborgen in meubels, kelders, enz. Nick Carter verscheen voor het eerst op 18 september 1886 onder de vorm van een dubbel-roman: De oude detective, zijn leerling en de mysterieuze misdaad van Madison Square. Arsène Goedertier was toen negen jaar oud.[lx]
De weduwe beklaagt er zich ook over dat zij het meeste werk verricht in het wisselagentschap, terwijl haar man zich bezighoudt met fantasieën en onbenulligheden. Hiermee bedoelt ze zijn hobby als speurneus. Nog volgens haar gaat hij regelmatig bij de politie langs om nieuwe elementen aan te brengen of om een eigen interpretatie te geven van een lopend onderzoek. Advocaat De Vos zal later verklaren aan Oberleutnant Henry Koehn dat Arsène Goedertier de volgende zaken trachtte op te lossen: de moordzaak Jeanneke Van Calck, de diefstal bij juwelier Coosemans in Brussel, de moordzaak Veranneman in Wetteren en de diefstal bij zijn schoonbroer, juwelier van den Durpel in Dendermonde.
De negenjarige Jeanneke Calck werd op 7 februari 1906 op gruwelijke wijze vermoord in Brussel. Haar lichaam werd zonder benen in bruin inpakpapier aangetroffen in de Zwaluwenstraat. Deze geschiedenis veroorzaakte heel wat opschudding.[lxi] De zaak Veranneman behelsde de moord op een jongeman en zijn verloofde, van wie de lijken op kerstdag 1930 in de meersen langs de Schelde in Wetteren werden aangetroffen. De vader van de jongeman werd aangehouden als verdachte. Julia Van der Sypt, toenmalig verpleegster van het ziekenfonds De Eendracht, getuigde dat Goedertier op kantoor kwam met een zakhorloge in de hand, zeggend: ‘Hij kan het niet geweest zijn.’ Hij had de hele route gedaan, die de moordenaar moest hebben gelopen, om het tijdstip van de moord te controleren.[lxii]
In april 1928 bestelde de schoonbroer van Arsène, juwelier Ernest Vanden Durpel, een rolluik om het achterraam te beveiligen, dat uitgaf op een verlaten weg langs de Dender. Zijn initiatief kwam te laat. In de nacht van 24 op 25 april werd er langs dit venster een inbraak gepleegd. De duurste juwelen werden gestolen, onder meer een partij gouden uurwerken ter waarde van ongeveer 200.000 frank. Arsène bood zijn ‘speurdersdiensten’ aan bij de gerechtelijke politie te Gent. Hij zei zeer geïnteresseerd te zijn in detectivewerk en veel politieromans te lezen.[lxiii] Volgens zijn bevindingen had de inbreker zijn buit verstopt in een afvoerbuis van de riolering naar de Dender. Hij werd niet ernstig genomen. Enkele dagen later verklaarde Arsène wenend dat het te laat was om de buit nog terug te vinden: de hoge waterstanden van de Dender hadden de juwelen weggespoeld.[lxiv] Volgens Valère Goedertier bracht zijn broer geregeld een bezoek aan de kantoren van de gerechtelijke politie te Gent. Daar trachtte hij de detectives bij te staan met zijn theorieën over lopende zaken.[lxv]
In het kader van een geruchtmakende diefstal bij juwelier Coosemans in de Waterloolaan te Brussel bood Goedertier zich als politieman aan. Hij wist te melden dat de dieven langs het venster waren binnengedrongen en beschreef droogweg hoe de dieven hun buit ter plaatse hadden verstopt, in een afvoerbuis achter de lambrisering van de badkamer. Of de buit daar ook werd teruggevonden, is niet geweten.[lxvi]
Ooit zou hij volgens Valère zelfs een diefstal in de kerk van Wetteren hebben opgelost. Aan de verbouwereerde deken overhandigde hij een gestolen schilderij  en een rijk versierd doek. Opnieuw hadden de dieven ze op de plaats van de misdaad verstopt, in de kelder van de kerk.[lxvii] In 1931 vond er in diezelfde kerk weer een diefstal plaats. Toen de politie ter plaatse kwam, snelde ook Goedertier toe om zijn bevindingen mee te delen. ‘Ah ja,’  verzekerde hij de agenten, toen die vreemd opkeken. ‘Ik lees veel politieromans.’ Pastoor Van Ongeval suste de geïrriteerde wetsdienaren: ‘Och, ziet er niet naar. ’t Is meneer Goedertier, die hier koster is geweest en van tijd tot tijd nog een handje toesteekt.’[lxviii]
Dokter Jean-Louis Goedertier verklaarde aan Koehn dat zijn oom zich ook had verdiept in de zaak Kreglinger.[lxix] De drieënveertigjarige Robert Kreglinger was op elf november 1931 omstreeks kwart voor zeven met zijn Renault Monastella vertrokken in de Antwerpse Lange Gasthuisstraat. Hij reed naar de Haachtsesteenweg in Brussel. Bij hem thuis zat zijn moeder hem op te wachten om samen te dineren. Maar daar was hij nooit aangekomen; Kreglinger was als het ware in rook opgegaan, met auto en al. Wekenlang reed Arsène met zijn wagen van Antwerpen naar Brussel om de route te bestuderen en inlichtingen in te winnen. Zo kwam hij er als eerste achter dat Kreglinger aan de toenmalige brug over de Rupel iets voor zeven uur 25 centimes tol betaalde.[lxx] Verdere resultaten van zijn onderzoek zijn niet bewaard gebleven.
Karel Mortier en Noël Kerckhaert lieten zich als volgt uit over het speurderstalent van Arsène Goedertier: ‘Ongetwijfeld was Goedertier bezeten door complexe situaties en combinaties. Het is dan ook niet te verwonderen dat hij een voorliefde had voor alles wat te maken had met fantasie. Hij besteedde daarom veel tijd aan het lezen van detectiveromans, waarvan hij er “een hele bibliotheek” bezat. Zodanig leefde hij zich in die wereld in, dat hij zich ten slotte zelf detective waande en bij gelegenheid “geheimzinnige” misdaden trachtte op te lossen.’[lxxi]
Bij de analyse van Goedertiers speurwerk valt op dat hij steeds naar spectaculaire oplossingen zoekt, en daarvoor de inspiratie put uit zijn misdaadromans. Wat nog het meest in het oog springt, is dat hij de gestolen voorwerpen meestal zoekt bij of op de plaats van de misdaad. Deze steeds weerkerende, fantasierijke en onrealistische analyses wijzen op een afwijkend denkpatroon. Een zelfde ongewone denkwijze vinden we terug in de vele avonturen van zijn fictieve naamgenoot, Arsène Lupin, ontsproten aan de pen van Maurice Leblanc.  Arsène Lupin is een gentleman-inbreker die vooral schilderijen ontvreemdt. In elk verhaal wordt met het gerecht onderhandeld via krantenadvertenties, waarin hij de initialen A.L.N. van zijn eigen naam gebruikt. Hij eist meestal losgeld en is zijn tegenspelers steeds te slim af. Dikwijls blijkt dat hij de schilderijen in een kelder of zelfs op de plaats van de misdaad heeft verstopt. Hij speelt een spelletje met het gerecht en verschijnt in verschillende gedaanten: de ene keer als schilder, dan weer als bankier of – naar het einde van zijn carrière toe – als politicus. Na de dood Van Goedertier ontdekte men dat ook hij een dubbel leven leidde onder de naam Van Damme. Bij het huren van een Royal schrijfmachine had hij deze valse naam gebruikt. Mortier en Kerckhaert hebben van een zekere bron vernomen dat Arsène Goedertier boeken in zijn bezit had over de gentleman-inbreker Arsène Lupin. Wie die bron was, vertellen ze niet.[lxxii] Misschien was het Jos Cels?[5] Het is ook mogelijk dat ze deze informatie ontleenden aan Jean De Kremer, alias John Flanders of Jean Ray. In 1935 schreef De Kremer in de Dag: ‘Arsène Goedertier ofte Arsène Lupin, gentleman-detekDIEF, dat klinkt heel voornaam. En als men nu weet dat de fictieve Arsène talloze welgelukte boevenstreken op zijn kerfstok had, vooral een meester was in 't weggappen van vermaarde kunstschatten, dat hij nooit gesnapt werd... dan moest dat de ware Arsène zoo aangenaam als bemoedigend voorkomen. Want Maurice Leblanc's ingebeelde held ging ongeveer te werk als hij, toen hij in 't bezit van een gestolen kunstwerk er geld uit wilde slaan...’[lxxiii]
In Mythen en mysteriën: Het gestolen Lam Gods, het altaar van Gent en zijn geheim uit 1995 verklaart historicus Paul De Saint-Hilaire, eveneens zonder bronvermelding, dat Goedertier het boek L’Aiguille Creuse (1909) heeft stukgelezen.[lxxiv] Dit verhaal gaat over een holle, naaldvormige rots, voor de kust van Normandië, die de Franse koningen vroeger gebruikten om hun schatten in te verbergen. Deze locatie zit verborgen in een code, neergepend op een oud stukje papier. Door zijn spitsvondigheid ontcijfert Arsène Lupin het geheimschrift. Op zijn beurt verbergt hij waardevolle, door hem gestolen voorwerpen in de koninklijke, geheime bergplaats. Als schatten worden in het boek onder meer opgesomd: een doek van de Maagd met het Agnus Dei van Raphaël en een beeldje van Sint-Jan de Doper. Maurice Leblanc omschrijft zijn geesteskind Lupin als volgt: ‘Alles wat boven de middelmaat is, verdient bewonderd te worden. En deze man slaat alles. Uit deze diefstal spreekt zo een rijkdom van opvatting, een kracht, een macht, een handigheid en een ongegeneerdheid dat ik ervan ril.’
Er is nooit een inventaris opgemaakt van de bibliotheek van Goedertier. Om ons te vergewissen van de inhoud ervan zijn we aangewezen op de getuigenissen van zijn vrouw, advocaat de Vos en onderzoeker van het eerste uur, Jozef Van Ginderachter. In het eerder besproken dossier van Oberleutnant Henry Koehn vindt Mortier enkele aanwijzingen over de inhoud van die bibliotheek. Blijkbaar heeft Van Ginderachter de boeken mee naar huis genomen zonder ze aan een ernstig onderzoek te onderwerpen. Eén bepaald boek is hem toen wel opgevallen, omdat Goedertier er aantekeningen in heeft gemaakt. Hij heeft echter nagelaten de titel te noteren. Herhaaldelijk probeert Koehn de titel los te krijgen. Mortier en Kerkhaert: ‘Uiteindelijk schreef Van Ginderachter aan Koehn dat hij zich meende te herinneren dat de titel La chasse au papier was, maar hij was er niet helemaal zeker van.’[lxxv]
Dit is inderdaad een titel uit de reeks Le Masque. Mortier en Kerckhaert hebben hierin enkele overeenkomsten gevonden met de diefstal van het Lam Gods. Er wordt in deze roman eveneens gecorrespondeerd via krantenadvertenties en in de bewaarplaats van een station wordt door een persoon, die een valse identiteit opgeeft, een koffer achtergelaten. Later kan men slechts een vage persoonsbeschrijving van deze figuur geven. In de krantenadvertenties werkt de dader met de initialen S.O.S.A. Hij stuurt ook nog een brief naar een tussenpersoon. Hierin staat te lezen: ‘Ik kan u mijn naam niet mededelen, maar ik ben goed bekend en rijk. Wilt u bepaalde brieven die mij toebehoren, afhalen en mij bezorgen? Ik geef u daarvoor 500 pond.’ Belangrijke documenten bewaart de dief in een geheime lade van zijn bureau, en in een kast met een valse bodem verbergt hij een schilderij. Wanneer men de bodem opent, blijkt het schilderij aan een touw te hangen.[lxxvi]
Hierbij stip ik aan dat in hoofdstuk 23 van Le tableau manquant beschreven wordt hoe men een verborgen schilderij uit zijn bergplaats haalt. Maar zeker zo belangrijk is de reden waarom men dit schilderij verbergt. Een zekere Fairleigh heeft namelijk een kasteelheer vermoord om zich diens vesting toe te eigenen. Wanneer de zoon en dus rechtmatige erfgenaam, Bill Boyd, dit verneemt, gaat hij achter de moordenaar aan. Boyd wordt echter door Fairleigh overmeesterd en in een geheime kerker opgesloten. Tijdens hun zoektocht naar Boyd, vinden de detective Jack Strickland en zijn assistent Ned Crawley in de kerkers van het kasteel de bergplaats van het schilderij. Op dit doek staat de vader van Bill Boyd. Fairleigh heeft het schilderij verborgen, omdat de gelijkenis tussen de afgebeelde kasteelheer en de wettige erfgenaam wel heel groot is. Fairleigh heeft zich met andere woorden van alle bezwarend materiaal willen ontdoen.
Mortier en Kerckhaert merken terecht op dat het dossier Koehn wat de inhoud van de bibliotheek van Goedertier betreft meer klaarheid heeft gebracht, met onder meer de getuigenis van advocaat De Vos.[lxxvii] Daarin lezen we: ‘De bibliotheek bevatte onder meer een reeks politieromans van de uitgave Le Masque, collection de roman d’aventure, Paris Librairie des Champs Elysées. Eén van die romans waarvan ik mij de titel niet meer herinner, het boek bevindt zich thans bij het gerecht, had een omslag uit gewoon papier, waarvan de onderkant over een bepaalde bladzijde gevouwen was. Bij het openslaan werd vastgesteld dat op de bedoelde pagina iets geschreven was over iemand, die zou vertrekken enz. Het bleek dat Goedertier dit deel van de tekst in een van zijn brieven aan de bisschop had overgeschreven.’[lxxviii]
Op 23 mei 1935 schreef Le Soir dat Goedertier in Wetteren aan verscheidene personen zijn analyse over de diefstal van De Rechtvaardige Rechters had uiteengezet: ‘…het gestolen voorwerp moet verborgen zijn op een zeer eenvoudige plek, geen eigenlijke bergruimte, maar een plaats waar niemand er aan zou denken te gaan zoeken.’ Deze uitspraak doet sterk denken aan een passage uit een verhaal van Edgar Allan Poe: De gestolen brief.  Wanneer een brief gestolen wordt uit de koninklijke appartementen, vouwt de dief hem toe, schrijft op de buitenkant de eerste letter van zijn naam, de letter D en verstuurt hem naar zichzelf, in plaats van hem te verbergen. Wanneer hij de brief ontvangt, scheurt hij die gedeeltelijk doormidden en verfrommelt hem alsof het een stuk oud papier is. Daarna legt hij hem schijnbaar achteloos in een kaartenrekje. De politie kamt enige tijd later zijn huis uit, zoekt hierbij op de meest onmogelijke plaatsen, maar niet in het kaartenrekje. Ze speuren namelijk naar een belangrijke brief van de koning en verwachten uiteraard niet dat de dief die een dergelijke respectloze behandeling heeft gegeven.
Opvallend is dat Goedertier aan de bovenkant van de AMDG-brief [lxxix] ook de eerste letter van zijn naam – de G – typte. Bovendien verstuurt hij deze brief ook naar zichzelf. Wanneer Minette Walters van de BBC Karel Mortier interviewt, gaat hij er eveneens van uit dat Edgar Allan Poe Goedertier geïnspireerd heeft.[lxxx]

De persoonlijkheid van Arsène Goedertier werpt kortom een heel ander licht op de diefstal van De Rechtvaardige Rechters en de afpersing die erop volgde.  Maar niet alleen het individu dat hier achter zat, is belangrijk: we dienen ook het object te ontleden. Op dit punt maken Mortier en Kerckhaert volgens mij een belangrijke inschattingsfout. Ze schrijven onomwonden dat ‘de diverse studies inzake de techniek, de betekenis, de inhoud, de uitleg van de teksten en kwatrijnen op het retabel enz.’ buiten het bestek van hun werk vallen. En ze zijn niet de enigen. De meeste andere onderzoekers, die de zaak op een professionele wijze trachten op te lossen, negeren of miskennen het belang van deze studies. Maar dit betekent ook dat zij zich niet voldoende kunnen inleven in de denkwereld van de mythomaan die Arsène Goedertier overduidelijk was.
Een mythomaan heeft een totaal andere gedachtenwereld dan een modaal mens, en kijkt naar de dingen op een heel eigen manier. Wat voor een doorsnee mens eenvoudig lijkt, is dit niet voor een mythomaan. Verborgen boodschappen, dubbele bodems, ongewone verbanden, duistere complotten en hogere dimensies zijn hem niet vreemd. Achter een eenvoudige zaak zoekt hij ingewikkelde constructies, en hij zal die op een vreemdsoortige wijze proberen op te lossen. De misdaadromans die Arsène Goedertier sinds zijn jeugd verslond, staan er bol van. De realiteit van Goedertier was dan ook die van zijn fantasierijke detectiveverhalen. Zelf was hij zich er niet van bewust dat hij in een fantasiewereld leefde, zoals een uitspraak als ‘Ah ja, ik lees veel politieromans’ bewijst. [lxxxi] Pastoor Van Ongeval reageerde hierop gegeneerd, maar voor Arsène was er geen vuiltje aan de lucht. Ook zijn huilbui, nadat hij had vastgesteld dat de juwelen van zijn schoonbroer door het hoge water van de Dender waren weggespoeld, getuigt van een zonderlinge, immense inleving. Op 16 december 1945 stelde René Dylman in Taptoe nog dat zijn neigingen ‘op het fantastische waren afgestemd’ en dat Arsène op ‘bijna ziekelijke wijze verslingerd was op politieromans’.
Het Lam Gods is op dit ogenblik, samen met de Mona Lisa, het bekendste schilderij ter wereld. Maar wat het Lam Gods zo bijzonder maakt, is dat dit kunstwerk veel meer ‘beladen’ is dan La Gioconda. Er is geen enkel ander schilderij ter wereld dat zo’n geschiedenis en vooral zoveel symboliek in zich draagt. Wanneer de mythomaan Arsène Goedertier zijn lievelingsschilderij[6] urenlang bewondert, is het niet onaannemelijk dat zijn fantasievol brein overspoeld wordt door allerlei visioenen. Mortier en Kerckhaert insinueerden in hun werk dat Arsène Goedertier cruciale informatie ontfutselde aan kanunnik Van den Gheyn.[lxxxii] Van den Gheyn was schatbewaarder van het Lam Gods en persoonlijk bevriend met de familie Goedertier. In 1920 gaf hij een werk uit dat handelde over de interpretatie van het retabel.[lxxxiii] Daarom is het in deze kwestie belangrijk om de ontstaansgeschiedenis en de betekenis van het Lam Gods te doorgronden.






[1] In de werktuigbouwkunde worden objecten ontworpen die handelingen moeten uitvoeren, zoals tillen, wegen, verplaatsen, druk opbouwen, analyseren, warmte wisselen, verbinden,…
[2] Deze straatnaam werd in 1922 gewijzigd in Wegvoeringstraat op vraag van de Bond der Opgeëisten. Tussen 1914 en 1918 werden de opgeëisten via de Zandstraat weggevoerd.
[3] Een zwarte Chevrolet 6 cylinder van het bouwjaar 1931 met nummerplaat 89.714. Mijnheer Arseen en De Rechtvaardige Rechters, p.50, 1976, Jos Cels, J.E. Buschmann – Antwerpen.
[4] Volgens van Dale: ‘in de hemel opgestegen’ (van het Franse ‘exalté’).
[5] De journalist schreef in 1976 (p.56) dat het de speurders bij de inbeslagname van Goedertiers bibliotheek meteen was opgevallen ‘dat Goedertier een grote bewonderaar was van Maurice Leblanc wiens ingebeelde held Arsène Lupin een grootmeester was in het ontvreemden van schilderijen. Elke roman werd aandachtig gelezen, in de hoop dat hierin wellicht bijzonderheden zouden voorkomen welke de gewezen koster konden hebben ingegeven.’

[6] In zijn woning bevond zich een lithografische afdruk van het Lam Gods.


[i] Den Denderbode, 07/09/1879
[ii] De Werkman, 30 maart 1879
[iii] Dossier Lam Gods, p. 321, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[iv] Dossier Lam Gods, p. 323, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[v] De Dag, 14 mei 1935
[vi] De academie voor teken-en bouwkunde van Wetteren. Geschiedenis van het beeldend kunstonderwijs in Wetteren van 1823 tot 1985, p. 65, 1999, Van Damme Fritz, Wetteren
[vii] De Dag, 14 mei 1935.
[viii] Dossier Lam Gods, p. 325, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[ix] Proces verbaal 2107, 14 oktober 1936, gerechtelijke politie Gent (gerechtelijk dossie Gent)
[x] Dossier Lam Gods, p. 326, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[xi] Dossier Lam Gods, p. 326, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[xii] De wraak van het Lam Gods, p. 234, Rudy Pieters, 2004, Uitgeverij Van Halewyck
[xiii] Dossier Lam Gods, p. 329, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[xiv] Dossier Lam Gods, p. 320, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[xv] Dossier Lam Gods, p. 321, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[xvi] De wraak van het Lam Gods, p. 234, Rudy Pieters, 2004, Uitgeverij Van Halewyck
[xvii] Dossier Lam Gods, p. 327, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[xviii] Dossier Lam Gods, p. 505, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[xix] Dossier Lam Gods, p. 329, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[xx] De Dag, 14 mei 1935
[xxi] De wraak van het Lam Gods, p. 239, Rudy Pieters, 2004, Uitgeverij Van Halewyck
[xxii] De Standaard, 15 mei 1935
[xxiii] De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed, http://www.inventaris.vioe.be
[xxiv] Dossier Lam Gods, p. 330, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[xxv] De Standaard, 15 mei 1935
[xxvi] Dossier Lam Gods, p. 505, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[xxvii] De Standaard, 14 mei 1935
[xxviii] La Flandre Libérale, 23 mei 1935
[xxix] De Standaard, 15 mei 1935
[xxx] Verklaring Georges De Vos aan Henry Koehn
[xxxi] Getuigenis aan Kerckhaert en Mortier, p. 346, 1994
[xxxii] Dossier Lam Gods, p. 351, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[xxxiii] Verklaring van advocaat De Vos aan Henry Koehn op 9 juli 1941
[xxxiv] Verklaring van Valère Goedertier aan Henry Koehn op 30 augustus 1942
[xxxv] De verdwenen rechters, analyse van een kunstroof, p. 148, 2005, Karel Mortier, Academia Press, Gent
[xxxvi] De verdwenen rechters, analyse van een kunstroof, p. 148, 2005, Karel Mortier, Academia Press, Gent
[xxxvii] Blik, 12 april 1994
[xxxviii] De verdwenen rechters, analyse van een kunstroof, p. 149, 2005, Karel Mortier, Academia Press, Gent
[xxxix] Briefwisseling Julienne Minne, Kerckhaert en Mortier, p. 345, 1994.
[xl] Tentoongesteld op De Rechtvaardige Rechters-beurs te Wetteren op 15 mei 2010.
[xli] Dossier Lam Gods, p. 345, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[xlii] De Schelde, 22 oktober 1933, De folklore bij het Topspel, en 25 februari 1934, Het Oplaten van de Vlieger.
[xliii] Dossier Lam Gods, p. 351, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[xliv] Verklaring van advocaat De Vos aan Henry Koehn, 9 juli 1941
[xlv] Verklaring Valère Goedertier aan Henry Koehn.
[xlvi] http://en.wikipedia.org/wiki/Wingtip_device
[xlvii] http://nl.wikipedia.org/wiki/Winglet
[xlviii] http://en.wikipedia.org/wiki/Wingtip_device
[xlix] Proces verbaal 1246, 8 juni 1935, gerechtelijke politie Gent (gerechtelijk dossier Gent)
[l] De wraak van het Lam Gods, p. 229, Rudy Pieters, 2004, Uitgeverij Van Halewyck
[li] De Gentenaar, 27 november 1934
[lii] De wraak van het Lam Gods, p. 228, Rudy Pieters, 2004, Uitgeverij Van Halewyck
[liii] Proces-verbaal, 31 december 1934, gerechtelijke politie Gent, gerechtelijk dossier Gent.
[liv] Verklaring Alfons Hebberecht aan Henry Koehn, 20 augustus 1942
[lv] De Rechtvaardige Rechters gestolen, p.149, K. Mortier, N. Kerckhaert, 1968, E. Story-Scientia
[lvi] Belgisch Staatsblad 23-24 april 1928
[lvii] Dossier Lam Gods, p. 209-213, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[lviii] De wraak van het Lam Gods, p. 239, Rudy Pieters, 2004, Uitgeverij Van Halewyck
[lix] Proces-verbaal 1367, 1 juli 1935, gerechtelijke politie Gent (gerechtelijk dossier Gent)
[lx] Bron en.wikipedia.org/wiki/Nick_Carter: vanaf 1891 publiceert Street & Smith wekelijks verhalen over Nick Carter. Er waren verschillende gast-auteurs die de verhalen aanbrachten: John R. Coryell (1848-1924), Frederick Van Rensselaer Dey (1861-1922), Thomas C. Harbaugh (1849-1924), Eugene T. Sawyer (1847-1924) en Richard Edward Wormser (1908-1977).  Tot 1990 waren er al honderden verhalen verschenen over Nick Carter.
[lxi] Het Laatste nieuws, 9 februari 1906
[lxii] Blik, 12 april 1994
[lxiii] Kwik Zondag Nieuws, 6 april 1963, p. 13
[lxiv] Dossier Lam Gods, p. 352, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[lxv] Dossier Lam Gods, p. 354, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[lxvi] Dossier Lam Gods, p. 353, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[lxvii] Dossier Lam Gods, p. 352, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[lxviii] Het Volk, 16 mei 1935
[lxix] Dossier Lam Gods, p. 298, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[lxx] De roof van de Rechtvaardige Rechters, p. 79-80, 1983, Jos Cels, Standaard uitgeverij Antwerpen Bussum
[lxxi] Dossier Lam Gods, p. 351, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[lxxii] Dossier Lam Gods, p. 204, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[lxxiii] De Mythe van de Rechtvaardige Rechters, p. 130, Patrick Bernauw, CODA  www.bernauw.com/2006/06/de-mythe-van-de-rechtvaard_115090253760856754.html
[lxxiv] Mythen en mysteriën : Het gestolen Lam Gods, het altaar van Gent en zijn geheim, p. 144, 1995, Paul De Saint-Hilaire, Uitgeverij Kok
[lxxv] Dossier Lam Gods, p. 206, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[lxxvi] Dossier Lam Gods, p. 206-207, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[lxxvii] Dossier Lam Gods, p. 205-206, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[lxxviii] Verhoor Senator De Vos Joris door Oberleutnant Henry Koehn, 9 juli 1941.
[lxxix] Brief die hij op 13 juni 1934 naar zichzelf stuurde en ondertekende met “AMDG”
[lxxx] http://www.bbc.co.uk/works/s2/walters/subjinfo.shtml
[lxxxi] Het Volk, 16 mei 1935
[lxxxii] Dossier Lam Gods, p. 416 en 480, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[lxxxiii] L’Interprétation du Retable de Saint Bavon à Gand: l’Agneau mystique des frères Van Eyck, 1920, kanunnik Van den Gheyn, G. Van Oest & Cie. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten