De Openbaring van Arsène Goedertier

De Openbaring van Arsène Goedertier

dinsdag 9 december 2014

'In opdracht van de koning' (2)


Max Winders wordt per staatstelegram van 10 juni 1942 op het koninklijk paleis uitgenodigd. De dag daarop biedt hij zich aan. De reden voor dit bezoek wordt niet prijsgegeven.

Op 23 januari 1970 wordt Winders voor een tweede maal bij de koning geroepen. Onduidelijk is of het hier opnieuw om Leopold III gaat, die in 1970 nog leeft, of om koning Boudewijn. De zaak neemt zodanige proporties aan dat de regering er zich mee begint te moeien. Minister van Staat Frans Grootjans verzoekt de minister van justitie een onderzoek in te stellen. Op 14 juni 1973 schrijft Marnix Gysen in Kunst en Cultuur dat volgens minister van Justitie de verklaringen van Winders ‘niet met de werkelijkheid overeenstemden’: ‘Indien de Minister de Heer M. Winders leugenachtig heeft gemaakt dan kan dat alleen gebeurd zijn nadat hij zich bij het Hof had ingelicht. Zodanig dat de hele episode tussen Zijne Majesteit en Max Winders kan afgeschreven worden.’

Heeft de minister van Justitie dan bij koning Boudewijn de nodige inlichtingen ingewonnen? Als Winders in 1942 al eens bij Leopold III was geroepen, zou Boudewijn in 1970 van niets op de hoogte geweest zijn. Maar als Boudewijn met Max Winders in alle discretie over De Rechtvaardige Rechters wilde praten, is het naïef te veronderstellen dat hij zekere verhalen zou bevestigen, vooral als de koninklijke familie betrokken partij was. Het resultaat was dat Max Winders werd afgeschreven als een fantast en dat de zaak verticaal werd geklasseerd.

Toen Max Winders met zijn uitlatingen werd geconfronteerd, zei hij dat de hele historie gelogen was. Een begrijpelijke reactie van beide protagonisten. Het is niet ondenkbaar dat Max Winders door zijn loslippigheid op het matje van het koninklijk paleis werd geroepen. Aan een kunstkenner zei Winders dat de koning hem had gevraagd erover te zwijgen vanwege ‘het hoger landsbelang’. De zoon van Max Winders verklaarde na diens dood:

‘Mijn vader heeft het met zijn eigen ogen gezien. Dat heeft hij mij zelf gezegd.’

Marnix Gysen besluit: 

In 1942 zou “een aanzienlijke familie” het paneel verborgen hebben. Indien dit juist is, waar wachten die aanzienlijke personages op om de Rechtvaardige Rechters terug te geven aan St. Baafs en aan de Vlaamse Gemeenschap?’

In september 1973 sluit Gysen in een artikel in de Gentse Tijdingen de zaak af met enkele rake conclusies.

Gentse Tijdingen: september 1973 (nr.9)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen