De Openbaring van Arsène Goedertier

De Openbaring van Arsène Goedertier

maandag 26 mei 2014

1.3 'Ik alleen weet waar het Lam Gods is'


Op 25 november 1934 deed zich een gebeurtenis voor die het lot van De Rechtvaardige Rechters misschien voor eeuwig bezegelde. Het relaas van wat er die dag gebeurde, is gebaseerd op twee verhoren, afgenomen door Oberleutnant Henry Koehn: een van advocaat Joris De Vos op 9 juli 1941, het ander van dokter Romain De Cock op 20 juli 1941.[i]
Tijdens de bezetting stuurde Joseph Goebbels, ‘Reichsminister für Propaganda’, Oberleutnant Koehn naar België om De Rechtvaardige Rechters te zoeken. Het was de bedoeling om het volledige Genter Altar aan Adolf Hitler te schenken, ter gelegenheid van het tienjarige bestaan van het Dritte Reich.[ii] Koehn heeft meer dan drie jaar gezocht, zonder resultaat. Op het einde van de oorlog werd hij bij wijze van straf naar het Oostfront gestuurd.
De nazi’s waren zeer geïnteresseerd in het occulte. Op een bekend schilderij staat Hitler afgebeeld als Graalridder. Volgens een legende baseerde Hitler zijn SS ook op de Duitse Tempeliers. Het Lam Gods zou een soort schatkaart zijn die naar de Heilige Graal moest leiden, en de locatie van deze materiële en spirituele schat vormde het grote geheim van de Tempeliers. Hitler geloofde onder meer dat de tijden van Karel de Grote zouden herleven en Europa één zou worden, als hij erin slaagde de Graal samen te brengen met de speer van de Romein die de zijde van Jezus doorboorde. 
Na de oorlog werd het dossier van Koehn door zijn weduwe overhandigd aan Karel Mortier en Noël Kerckhaert. Zij hebben de beide verhoren integraal en onbewerkt in hun boek Dossier Lam Gods opgenomen, in de vorm van bijlagen op de pagina’s 530 tot en met 537. Het is de verdienste van de Oberleutnant dat we nu nog in grote lijnen weten wat er op 25 november 1934 en in de dagen daarna is gebeurd. Het Belgische gerecht heeft immers nagelaten dokter De Cock en advocaat De Vos op officiële wijze te verhoren. Naar verluidt omdat beiden waren gebonden door hun beroepsgeheim.

Zondagvoormiddag 25 november 1934, in de feestzaal van het Dendermondse Onze-Lieve-Vrouwcollege. Tijdens een arrondissementsvergadering van de voormalige Katholieke Volkspartij wordt het nieuwe beleid van de zopas gevormde regering besproken. De vele rokers onder het publiek zorgen voor een verstikkende atmosfeer. Op het podium staat Arsène Goedertier vol vuur zijn kersverse ideeën te verdedigen. Met wilde gebaren en luide stem tracht hij de toehoorders te overtuigen van een andere rol voor de hogere burgerij in de maatschappij. Hoewel hij er altijd op uit is geweest zijn intellect en kunde voor een groot en belangrijk publiek te etaleren, slaagt hij er gewoonlijk amper in zijn toehoorders met zijn vreemde ideeën te boeien. Ook deze redevoering gaat de mist in.  Toch verlaat hij trots het podium, slaat een vriend op de schouders en roept uit: ‘Heb ik het niet goed gezegd!?’
Arsène verlaat de zaal en zondert zich af in de gang van het college. Enkele mensen treffen hem daar in elkaar gezakt aan. Onmiddellijk brengen ze hem naar een naburig café waar men zijn gezicht verfrist en zijn hemdskraag openzet. De op de bijeenkomst aanwezige dokter De Cock wordt erbij gehaald.
De vurige spreker van daarnet ligt neer en ademt zwaar. ‘Ah, mijn beste vriend…’ zegt hij tegen de dokter. ‘Ben je daar?… Help me alsjeblieft!’
De dokter stelt ‘een acute hartvergroting’ vast. Goedertier vraagt naar zijn schoonbroer gebracht te worden, Ernest Vanden Durpel, die aan de Vlasmarkt woont. De dokter vervoert Goedertier met zijn eigen auto. Bij het uitstappen wordt de patiënt door twee mannen ondersteund. Ze leggen hem op een matras op de vloer.
De arts onderzoekt Goedertier opnieuw en dient hem een injectie toe met een cafeïnepreparaat. Kortademig en onrustig vraagt Goedertier: ‘Dokter, is het werkelijk gevaarlijk?’
De Cock kalmeert hem: ‘Nee, blijf rustig liggen. Heb je iets te vragen of heb je een andere wens?’
‘Nee, ik zou graag een priester willen.’
Hierop laat Vanden Durpel een priester halen, maar omdat het zondagvoormiddag is, belooft dat moeilijk te worden.
Ondertussen heeft advocaat Joris De Vos, die eveneens op de vergadering aanwezig was, vernomen dat Arsène onwel is geworden. Hij is Goedertiers raadsman en vriend. De Vos telefoneert naar Vanden Durpel en vraagt of hij ook moet komen. De nicht van Goedertier antwoordt bevestigend. De advocaat beseft echter de ernst van de situatie niet en praat op straat nog een tijdje met minister Rubens.
Wanneer meester De Vos ter plaatse komt, hoort hij zijn vriend in het kamertje ernaast kreunen. Joris ziet zijn zieltogende kameraad op een matras op de grond liggen.
Arsène merkt zijn raadsman op en zegt: ‘Met Georges kan ik het ook doen. Kom hier, Georges!’
De Cock en Vanden Durpel worden door Goedertier verzocht naar buiten te gaan en de deur te sluiten. De Vos knielt naast zijn stervende vriend.
‘Ik heb een priester doen roepen, maar mijn geweten is gerust. Luister! Ik alleen weet waar het Lam Gods is.’
‘Ja?’
‘Ik alleen weet het… Het dossier van heel de zaak… zult ge vinden… in mijn klein bureel… in de schuif rechts van de schrijftafel… omslag “Mutualité”.’
Plots zwaait de deur open en komt pater Libertus Bornauw, die in de tegenover gelegen basiliekabdij woont, de kamer binnen.
‘Ga naar buiten… laat ons alleen… doe de deur toe!’ zegt Goedertier nog.
Geschrokken verlaat de pater het vertrek.
Goedertier vervolgt: ‘Dus je weet nu… waar het dossier is… en…’
De advocaat houdt zijn oor dicht bij de mond van zijn vriend, maar de stervende kan niets meer uitbrengen en begint te reutelen.
‘Dokter, komt u alstublieft, het gaat slecht.’
De Cock komt de kamer binnen en merkt onmiddellijk dat de toestand precair is. De ogen van de patiënt zijn al verglaasd en hij snakt vruchteloos naar adem. De arts slaat een keer met zijn hand tegen Goedertiers wang om een reactie uit te lokken… Tevergeefs. Luttele ogenblikken later geeft Arsène Goedertier de geest.

Pater Libertus zegent hem. De dode ligt erbij met gebalde vuisten, de halfopen mond in een grijns vertrokken.

Op 27 november 1934 verschijnt in De Gentenaar een artikel met de titel Wetteren schielijk overlijden: ‘De heer Arsène Goedertier, warm verdediger der goede zaak en afgevaardigde der katholieke kiesvereeniging van Wetteren, voerde er het woord over de noodzakelijke erkenning en aanneming der hoogere en vrije beroepen. Zijne korte maar zaakrijke uiteenzetting werd herhaaldelijk toegejuigt en behaalde den meesten bijval. (…) De doodbrave katholieke baanbreker behoorde tot een door en door katholieke familie, die in onze gemeente niets dan vrienden telt.’



1.4. Het officieuze onderzoek

29 november 1934. Met een statige begrafenis, waarop veel prominente figuren aanwezig waren, werd Arsène Goedertier ter aarde besteld. Honderden en honderden mensen stonden langs de kant van de weg. De klokken treurden, de vlaggen hingen halfstok. Er werd hulde gebracht aan de arrondissementeel ondervoorzitter van het Verbond van Onderlinge Bijstand, de directeur van de Academie voor Teken- en Bouwkunde, de voorzitter van het Davidsfonds, het Werkmanshuis en het ziekenfonds De Eendracht te Wetteren.  Minister van Staat Werner Tibbaut, burgemeester Jozef du Château, meester Van Durme en Pieter Bosch, beheerder van het Werkmanshuis, prezen zijn algemene kennis, zijn gevoel voor kunst en zijn wil om dit over te brengen op zijn medemens. Arsène werd zelfs een bevrijder van de arbeidersklasse genoemd.[iii]
Op 1 juli 1935 verklaarde zijn weduwe aan procureur De Heem en commissaris Luysterborgh dat advocaat De Vos met haar op de begrafenis een afspraak had gemaakt om de dag nadien langs te komen. Op de sterfdag van haar man had hij haar al vaag iets over Het Lam Gods verteld. [iv] Toen de raadsman zich op het afgesproken uur aanmeldde, gingen ze samen op zoek. In het kantoortje waarover Goedertier had gesproken, stonden enkel een klein bureau en een kast met boeken. De lade waar hij op zijn sterfbed naar verwezen had, bleek op slot. De weduwe herinnerde zich dat haar man de sleutel in zijn portefeuille bewaarde. Bij het openen van de lade vonden ze een grote, gele enveloppe.[v] In inkt stond er met sierlijke letters ‘Comiteit Mutualiteit’ op geschreven.
Hierin staken de doorslagen van de getypte afpersingsbrieven en een met de hand geschreven brief. Ze waren, op één uitzondering na, ondertekend met DUA. Aan enkele van zijn brieven had hij de uitgeknipte advertenties gehecht, die in La Dernière Heure waren verschenen. Op een blad dat bij de handgeschreven brief gevoegd werd, stond een ingewikkelde constructie waarin hij uiteenzette in welke volgorde de aankondigingen in de krant moesten verschijnen. De weduwe reageerde stomverbaasd bij het zien van al deze documenten.
Advocaat De Vos verklaarde aan Koehn dat hij naast de sleutel ook een depotbiljet had gevonden in de portefeuille. Het was afgestempeld op 10 oktober 1934 en kwam van het bagagecentrum Gent Sint-Pieters. Hij veronderstelde dat men daar het verdwenen paneel zou terugvinden.[vi] Achteraf bleek dat zich daar alleen een schrijfmachine Royal bevond.[1] Hiermee had Goedertier zijn afpersingsbrieven getypt.
Behalve de sleutel en het depotbiljet had de raadsman ook nog een groene briefomslag in de portefeuille gevonden. De omslag leek op deze waarin Goedertier zijn brieven aan de bisschop stuurde. De Vos gaf toe dat hij die nog steeds in zijn bezit had en toonde de enveloppe zelfs aan Koehn.[vii] Hij verklaarde ook dat hij met de gevonden doorslagen en het depotbiljet naar zijn vriend Van Ginderachter was getrokken, de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg in Dendermonde. Hij bracht de gevonden documenten op zijn beurt naar Ridder De Haerne, de eerste voorzitter van het Hof van Beroep van Gent, en naar procureur-generaal Ridder Van Elewijck.[viii] Samen met Procureur des Konings De Heem besloten deze vier hoge magistraten het onderzoek in het geheim verder te zetten. Van Ginderachter had de leiding.[ix] Door dit stil te houden, wilde men de familie Goedertier wellicht voor een schandaal behoeden. Men hoopte het meesterwerk immers weldra terug te vinden. Omdat de dader al overleden was, dacht men de naam Goedertier nooit te moeten vernoemen. Het parket zou alsnog ingelicht worden als men niets kon vinden.[x]
Van Ginderachter begaf zich samen met advocaat De Vos naar Goedertiers weduwe. Ze beloofden haar dat de naam van haar echtgenoot nooit gekoppeld zou worden aan de diefstal van De Rechtvaardige Rechters. Door deze geruststelling verleende ze alle medewerking en ging men samen met haar op zoek naar meer aanwijzingen. Al gauw vonden ze in de jaszak van haar overleden man een groene omslag met daarin een getypt briefje dat hij aan zichzelf gericht had.[xi] Dit briefje was op 13 juni 1934 in Gent I gepost en had de volgende inhoud:

Mijnheer,

Daar ik sinds lang uw karakter van goed mens ken, veroorloof ik mij u te verzoeken mij te willen helpen bij de overbrenging van een bundeltje familiedocumenten en brieven, waarvan de eer van een familie, waarvan u veel achting hebt, afhangt. De dienst die ik u vraag, is niet moeilijk uit te voeren. Het gaat er alleen om bij de eerw. Heer pastoor van de St. Laurentiuskerk, Markgravelei 95 te Antwerpen, een klein pakje af te halen en het te overhandigen, zonder u bekend te maken, aan de eerw. pastoor van de Finistère-kerk in Brussel. In Antwerpen zal niemand uw adres vragen en het zal volstaan, dat u bijgaande briefomslag aanbiedt. U dient dus eenvoudig als ‘ vrijgeleide’  bij de overbrenging. In de overtuiging dat u deze hulp niet zult weigeren aan een familie in nood, veroorloof ik mij hierbij de som van tweehonderd Fr te voegen voor het dekken van de onkosten.
Na het beëindigen van deze belangrijke zaak, zal ik u een geschenk laten geworden dat u aangenaam zal herinneren aan uw christelijke tussenkomst.
Gelieve te aanvaarden, mijnheer, mijn gevoelens van hoogachting.

A.M.D.G.

Deze boodschap was duidelijk met dezelfde machine getypt als de D.U.A.-brieven en wordt verder gemakshalve ‘de AMDG-brief’ genoemd. Mogelijk bevonden het tweede deel van de doormidden gescheurde krantenpagina en twee briefjes van honderd Belgische frank zich ooit in deze groene enveloppe. De originele brief zat in het gerechtelijk dossier van Gent en is na 1950 verloren gegaan. Karel Mortier en Noël Kerckhaert schreven in Dossier Lam Gods dat dit document en de bijhorende enveloppe verdwenen waren. [xii] Ik vond de enveloppe echter wel nog terug. In het boek Dossier Lam Gods is er van de brief zelf ook nog een foto terug te vinden.[xiii]




De AMDG-brief toonde aan dat Arsène zelf naar Antwerpen was gereisd om het losgeld op te halen. Bij een eventuele arrestatie wilde hij zich hier waarschijnlijk mee indekken. In het adres had hij opzettelijk foutjes getypt om te laten uitschijnen dat iemand anders het schrijven had opgesteld. Uit de brief blijkt ook dat hij zichzelf, in de naam van A.M.D.G., de opdracht gaf om het pakje aan de pastoor van de Finisterrae-kerk in Brussel te bezorgen. Maurice Zech was sinds 1922 de pastoor van deze kerk. 
In Goedertiers jaszak ontdekte men ook de aan DUA gerichte brief die pastoor Meulepas, samen met het losgeld, aan de bode diende af te geven. En in zijn broekzak vond De Vos dan weer een vuil stuk geel papier waarop Goedertier klaarblijkelijk zijn elfde brief voorbereidde.[xiv] Tussen vele doorhalingen door stond er dit te lezen:[xv]

betreur dat gij hem niet de middelen hebt bezorgd om te neutraliseren – de haat die de geest – de haat en de wraakzucht die rondspoken – van enige geesten – tegen de autoriteiten die aan hun woord te kort zijn gekomen – het is meer dan waarschijnlijk dat gij het zult betreuren voor het minst evenveel als – hij vreest sterk dat gij het betreurt – meer dan ik voor lange tijd.

In het bureau van Goedertier werd een stadsplan van Antwerpen aangetroffen.[xvi] Hierin had hij op twee bladzijden in inkt de telefoonnummers van de pastorie van Sint-Laurentius en het Hof Leysen geschreven. Het doet vermoeden dat Arsène bij het afhalen van het losgeld dit boekje op zak had.

Van Ginderachter schreef in zijn rapport dat hij ook nog een notitie had aangetroffen met het adres van een zinkbewerker aan de Muinkkaai 43 in Gent erop, en dat er aan een haakje naast het bureau twee sleutels werden gevonden. Van de grootste was geweten dat hij paste op de garage waar Goedertier zijn auto stalde. De andere sleutel bleek bij een brandkast van het Crédit Anversois in Gent te horen. In deze kluis werd er volgens het politieverslag niets bijzonders aangetroffen. Van Ginderachter sprak ook nog van een derde, kleine sleutel die verborgen zat in een lade en waarvan niemand wist waarvoor hij diende.
In het dossier bevindt zich een notitieboekje dat men bij Goedertier aantrof. Op een van de scheurblaadjes is met potlood een schets gemaakt van iets dat lijkt op een hondenkarretje. Op een ander, groot blad werden er meer potloodschetsen aangetroffen. [xvii] Uit de getallen die erbij geschreven staan, valt af te leiden dat er uitgerekend wordt hoe uit 2 grote platen  verschillende figuren gehaald kunnen worden. Nodig zijn: 4 A-latten van 5 (cm) X 2 (m), 4 B-latten van 25 (cm) X 80 (cm) en 6 C-planken van 0,53 (m) X 1,03 (m). (De eenheden stonden er niet bij vermeld.)
Bij de doorslagen van de afpersingsbrieven bevond zich een niet verzonden, veertiende brief, bestaande uit vier vellen. Deze was met de hand geschreven op briefpapier van de firma Plantexel. Woorden die verwezen naar de  twee panelen werden weggelaten en vervangen door streepjes en puntjes:

Monseigneur,

Daar ik om gezondheidsredenen verplicht ben een rustkuur te volgen, beschik ik over de nodige tijd om rustig na te denken over de zaak die ons interesseert. Na de verdwijning van de … hebben wij zodanig kunnen manoeuvreren dat wij in hun bezit zijn gekomen en na verschillende onvoorziene incidenten ben ik de enige ter wereld die de plaats kent alwaar de … berusten. 

Wordt vervolgd in het boek.  





[1] Volgens Jos Cels bevond er zich naast de schrijfmachine ook een valiesje, gedeponeerd door ‘een zekere Van Damme uit Dendermonde’ – Mijnheer Arseen en De Rechtvaardige Rechters, p.29, 1976, Jos Cels, J.E. Buschmann – Antwerpen.




[i] Dossier Lam Gods, p. 530-537, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[ii] De Rechtvaardige Rechters gestolen, p.114, K. Mortier, N. Kerckhaert, 1968, E. Story-Scientia
[iii] Een tragisch-komische geschiedenis. Arseen Goedertier de man van Wetteren en het “Lam Gods”, R. Claus, 1935
[iv] Proces-verbaal 1367, 1 juli 1935, gerechtelijke politie Gent (gerechtelijk dossier Gent)
[v] Verhoor Georges De Vos door Henry Koehn, 9 juli 1941
[vi] Verhoor Georges De Vos door Henry Koehn, 9 juli 1941
[vii] Verhoor Georges De Vos door Henry Koehn, 9 juli 1941
[viii] Verhoor Georges De Vos aan Henry Koehn
[ix] De Rechtvaardige Rechters gestolen, p. 126, K. Mortier, N. Kerckhaert, 1968, E. Story-Scientia
[x] Meneer arseen en de rechtvaardige rechters, p. 70, 1963, Jos Cels, D.A.P. Reinaert - Brussel
[xi] Verhoor Georges De Vos door Henry Koehn, 9 juli 1941
[xii] Dossier Lam Gods, p. 171, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[xiii] Dossier Lam Gods, p. 170, 1994, Karel Mortier en Noël Kerckhaert, Stichting Mens en Kultuur
[xiv] Verhoor Georges De Vos door Henry Koehn, 9 juli 1941
[xv] Bevindt zich in gerechtelijk dossier te Gent
[xvi] Bevindt zich in gerechtelijk dossier te Gent

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen