De Openbaring van Arsène Goedertier

De Openbaring van Arsène Goedertier

donderdag 2 oktober 2014

De ultieme missie blijft uit


In 1928 gaat Arsène nog een stap verder en richt de Kongolese maatschappij Plantexel op, waarvan hij voorzitter en gedelegeerd-bestuurder wordt. Het grote geld stroomt binnen: dat eerste jaar maakt Plantexel al een kwart miljoen frank winst. Maar op ‘Zwarte Vrijdag’, 24 oktober 1929, crasht de beurs van New York. De depressie sijpelt door naar de rest van de wereld.

Vanaf 1930 gaan de zaken in het wisselagentschap en Plantexel minder goed en wordt er geen winst meer gemaakt. Vertwijfeling maakt zich van hem meester. Heeft hij de teksten van Grignion de Montfort en de Openbaring van Johannes verkeerd geïnterpreteerd? Wanhopig gaat hij op zoek naar signalen. Heeft hij iets over het hoofd gezien?
In de eerste zin staat al te lezen dat de openbaring van Jezus Christus er is gekomen om ‘aan de dienaren van God te laten zien wat er binnenkort gebeuren moet’. Maar wat moet er dan gebeuren? Goedertier heeft hier geen antwoord op. Aan de engel van Laodicea werd bevolen goud te kopen dat door God gezuiverd was. Misschien werd daarmee iets anders bedoeld dan het wisselagentschap en Plantexel? Goedertier staat terug op het punt waar hij tien jaar voordien stond, toen hij dacht rijk te zijn, maar in werkelijkheid ongelukkig, armzalig en berooid was. Nu pas is hij in de positie terecht gekomen, die in de Openbaring beschreven wordt. Hij heeft zalf nodig voor zijn ogen, zodat hij weer kan zien. Hij moet zich volledig inzetten en breken met het leven dat hij tot nu toe heeft geleid.  
Maar welk goud moet hij dan kopen, wat moet er binnenkort gebeuren, wanneer zal het Laatste Oordeel plaatsvinden? Is geld überhaupt wel het doel dat nagestreefd moet worden? Er staat namelijk geschreven dat wie overwint, samen met Jezus op de troon zal zitten. Wie of wat moet hij dan overwinnen?
Hoewel de beurscrisis in volle hevigheid woedt en zijn wisselkantoor al enkele jaren geen winst meer maakt, leent hij in de loop van 1932 zeer grote bedragen uit: 600.000 frank aan een familielid, advocaat Joseph Goedertier; 300.000 frank aan een liberale prominent uit de streek; 350.000 frank aan een Bruggeling. Familieleden en vrienden genieten van zijn gulheid. Hij is tevreden met hun belofte, maar zou de bedragen nooit meer terugzien.

Gaat het hier om een 'soort naïef altruïsme', zoals sommigen vroeger veronderstelden? 

Hebben de tweede en derde Openbaring van Arsène Goedertier zijn handelen in deze richting gestuurd?


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen