De Openbaring van Arsène Goedertier

De Openbaring van Arsène Goedertier

zaterdag 29 maart 2014

Inleiding


Brussel, zeven februari 1906, kwart voor twaalf. Onder een heldere sterrenhemel schrijdt een man door de verlichte straten van de Groot Godshuiswijk. Ongewild trekt hij de aandacht van enkele late voorbijgangers. In zijn linkerarm houdt hij een groot bruin pakket. Schichtig kijkt hij van links naar rechts. Als iemand zijn pad kruist, laat hij zijn bolhoed ietwat over zijn ogen zakken en draait zijn hoofd weg van de nieuwsgierige blikken. In de Lakensestraat houdt hij met zijn zwart lederen laarzen een stevig tempo aan. Nu nadert hij de Zwarte Lievevrouwstraat. Plots slaat hij linksaf en duikt de verlaten Zwaluwenstraat in. Ter hoogte van huisnummer 14 houdt hij halt. Het pand waar hij voor staat is in heropbouw. De werf is afgesloten met een houten omheining. Het lijkt erop dat hij zijn pakket achter de schutting wil leggen, maar dan bedenkt hij zich. Hij bestudeert de omgeving grondig. Bedachtzaam wandelt hij terug tot aan de Zwaluwenstraat 22. Naast de deur hangt een gravure: Janssens G. – Fleurs et couronnes mortuaires
Enkele minuten later wandelt Joseph Eylenbosch met zijn zoontje door de Zwaluwenstraat naar huis. De brigadier-machinist heeft zojuist zijn dienst in de Alhambraschouwburg beëindigd. Op de drempel van het huis met het nummer 22 ziet hij een vreemd bruin pakket liggen. Hij stuurt zijn zoontje naar de politieagent die hij even daarvoor in de Bloemenstraat heeft opgemerkt. Ondertussen vervoegt Pierre Noël, figurant-chauffeur bij de schouwburg, zich met twee kinderen van een vriend bij zijn collega. Politieagent Gustave Vandamme haast zich ter plaatse en bestudeert het verdacht pakket. Hij tilt het op, vindt het nogal zwaar, betast het. Aan de ene kant voelt hij iets bolvormigs, waardoor hij in eerste instantie denkt aan Hollandse kaas. Het is met enkele koorden ingepakt in bruin papier; de koorden vormen aan de bovenkant een soort handvat.
Op zijn beurt betast Pierre Noël het pak en zegt: ‘Er is hier een arm, ik voel het.’
Vandamme voelt opnieuw en roept verschrikt: ‘Is dat een hoofd? Misschien van een dode hond!?’
Intussen zijn er heel wat mensen bij komen staan. De agent besluit het pakket niet ter plaatse open te maken. Hij vreest dat hij met een Brusselse ‘zwanzer’ te maken heeft, en vraagt aan Pierre Noël of hij het pakket naar het politiekantoor van de derde divisie kan dragen. Op het vinden van een verdacht object op straat staat namelijk een premie van vijftig cent tot drie frank. Noël stemt toe en het zestal vertrekt naar de Nieuwe Graanmarkt 13. Vandamme zet zich aan de kop, gevolgd door de moeizaam stappende Noël, een angstige Eylenbosch en drie slaapdronken kinderen. Het touw snijdt in Noëls handpalm en vingers. Voortdurend moet hij het pakket in de andere hand nemen. Wanneer hij merkt dat zijn handen beginnen te bloeden, zegt hij tegen Vandamme: ‘Voor een zwans is het er een die zwaar weegt.’
Om vijf na twaalf komt het gezelschap aan op het politiebureau. Vandamme meldt zich aan bij de officier van dienst Hennuy. De officier, amper geïnteresseerd in het pakket, verwijst de agent door naar het bureau van speciaal-agent Desmedt. Hennuy zegt dat ze het pak daar maar moeten openen. De bundel wordt voor de schrijftafel van Desmedt op de grond gelegd. Desmedt toont al evenmin belangstelling; hij blijft gewoon in zijn bureaustoel zitten, een positie vanwaar hij het voorwerp niet kan zien. De bezorgde Eylenbosch trekt zich met de drie kinderen terug in een aanpalende kamer. Een koude rilling trekt van zijn hals tot aan zijn onderrug.
Vandamme en Noël inspecteren het pakket nogmaals, ditmaal ongestoord en beter belicht. Het is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid verpakt in bruin papier. Een enkel lang sterk touw loopt eenmaal in de lengte en tweemaal over de breedte, waardoor het verdeeld wordt in zes sectoren. Hierdoor krijgt het de vorm van een koffer, met aan de bovenkant een handgreep.  Vandamme, gehinderd door zijn kapot en sabel, kan niet hurken. Dus begint Noël het touw los te maken.
Na het verwijderen van het stinkende bruine papier verschijnt er een groene stof. ‘Nou, het zijn gewoon oude afgedankte klederen,’ zegt Vandamme.
‘Het is wel erg zwaar voor oude klederen,’ antwoordt Noël.
Deze keer is de stoffen bundel eenmaal omwonden in de lengte en eenmaal in de breedte. Een andere agent kan het niet meer aanzien. Hij neemt zijn zakmes en snijdt met een enkele krachtige haal het touw door. De groene stof ontrolt zich in een golvende beweging en de omstaanders springen verschrikt achteruit… voor het lichaam van een kind. Onder de lange blonde lokken zien ze een mooi, onschuldig gezichtje dat noch pijn, noch angst lijkt uit te drukken. De half gesloten blauwe ogen, schijnen verzonken in de onschuldige dromen van een zoete slaap. Maar  lange bruine sokken bedekken haar mond, als om haar het eeuwige zwijgen op te leggen. Lichte strepen bloed in de mondhoeken. Haar kleine broek bedekt de rest van het lichaam als een lijkwade. Haar handjes voelen nog warm aan.
Er lijkt iets niet in orde met de proporties van haar lichaam. Langzaam tilt Noël het rokje van het kind omhoog. Ze kunnen hun ogen niet geloven. De twee beentjes van het arme kind zijn afgesneden… en nergens te bespeuren!


Zondag 24 oktober 1999, 13 uur. Op de E19, ergens tussen Antwerpen en Brussel, zit ik in mijn wagen verward voor me uit te staren. Vannacht heb ik geen oog dicht gedaan. Ik kon de gedachte niet van me afzetten. Zou de gekke inval die ik gisteren kreeg misschien toch niet zo gek zijn? Heeft iemand voor mij eigenlijk al aan deze locatie gedacht? De gedachte alleen al is te gek voor woorden. Maar stel… Hoe zou de plaats er bij liggen? Waren er praktische belemmeringen om iets weg te stoppen? En wie zou het in zijn hoofd halen om in zo een gebouw een van de kostbaarste kunstwerken ter wereld te verbergen? De afperser heeft zich echter laten ontvallen dat het kunstwerk verborgen is op een plaats waar niemand het zal zoeken. Zijn woorden van lang geleden spoken door mijn hoofd. Volgt men zijn instructies niet, dan zal het kostbare juweel voor eeuwig verloren zijn. Zal zich een openbare nachtmerrie voltrekken. Ook beweerde hij dat het kunstwerk niet was gestolen, maar verplaatst.
Verdwaasd als ik ben, rij ik de juiste afrit voorbij. Mijn agitatie staat in een schril contrast tot mijn gemoedstoestand van gisterenmiddag. Toen kuierde ik nog relaxed rond tussen de boekenrekken in de bibliotheek van mijn geboortedorp. Hoewel ik tegenwoordig in het meer hectische Deurne woon, zoek ik af en toe de rust op van de Brasschaatse parkgemeente.  Twee wetenschappelijke tijdschriften heb ik reeds onder mijn arm geborgen, wanneer mijn aandacht getrokken wordt door een dik boek. In grote rode letters staat er op de rug: Dossier Lam Gods. Ik heb wel zin in een goed boek, begin het te doorbladen. Achteraan bevindt zich een bijlage: Agnus Dei, De diefstal van de Rechtvaardige Rechters. Verslag en fotoreportage van de verfilming van deze kunstroof tot een docudrama door Panorama o.l.v. regisseur Jean-Pierre Coppens en uitgezonden door TV 1 op 7 april 1994.
Ik herinner me deze intrigerende uitzending van vijf jaar geleden nog. Ze handelde over de diefstal van De Rechtvaardige Rechters op 11 april 1934 uit de Sint-Baafskathedraal van Gent. Het paneel is tot de dag van vandaag onvindbaar. Nu besef ik pas dat deze uitzending gebaseerd is op dit boek van Karel Mortier en Noël Kerckhaert. Mijn besluit is vlug genomen: deze lectuur zal me wel een paar dagen zoet houden, denk ik…

Op pagina 35 wordt mijn aandacht een eerste keer speciaal gewekt. ‘Naast de geschiedenis van de aanbidding van het Lam Gods,’ schrijven de auteurs, ‘is ook kennis van het tijdsgebeuren nuttig én nodig om het verloop van deze ophefmakende zaak te begrijpen. Het zou verkeerd zijn de diefstal en het daaropvolgend onderzoek niet te willen zien in het licht en het kader van wat er toen aan de hand was. We kunnen hier niet genoeg de nadruk op leggen.’
Bij pagina 115, waar de zevende afpersingsbrief van D.U.A. wordt behandeld, voel ik een schok door mijn lichaam gaan. Hier lijkt me niet zozeer sprake van de ingewikkelde code waar men al decennia naar op zoek is, maar eerder van een ‘Spielerei’ van de afperser. Is dit echt een speels verborgen feit, dan wordt er niet enkel een link gelegd tussen De Rechtvaardige Rechters en een welbepaald persoon, maar ook naar een mogelijke locatie. En wat voor één! Spontaan denk ik terug aan pagina 35. Maar de aard van de locatie lijkt zo ver gezocht… Men zal me krankzinnig verklaren als ik hiermee naar buiten kom!
Terwijl ik verder lees, krijg ik echter steeds meer het gevoel dat de plaats die ik voor ogen heb misschien toch niet te gek is voor woorden. Denkend aan de psychologie van de afperser lijkt alles mogelijk in deze zaak, zelfs het meest ondenkbare! De afperser sprak over een publieke plaats, waar hij het paneel had verborgen, maar om een of andere reden zelf niet meer bij kon. ‘Mijn’ locatie…  is dat eigenlijk wel een publieke plaats? Ik surf er naartoe op het internet: de locatie is wel degelijk toegankelijk voor het publiek, elke zondagnamiddag van 14 uur tot 17 uur. De kans is groot dat dit in de jaren dertig ook reeds het geval was. Ik besluit er de volgende dag heen te rijden.

Afrit gemist… en dus neem ik de volgende en kom ik terecht in Schaarbeek. Gelukkig weet ik nog dat ‘mijn’ locatie ten noordwesten van Schaarbeek ligt. Ik oriënteer me op de zon en al gauw zie ik in de verte de atypische toren van het bijgebouw opdoemen. Enkel de hindernis van het kanaal nog nemen en mijn reisdoel is bereikt.
Vooraleer ik het gebouw kan betreden, moet ik door een kerk wandelen. Nu ja kerk, het lijkt meer een ruïne. Aan de buitenkant zijn op verschillende plaatsen netten gespannen om voorbijgangers te beschermen tegen vallende stenen. Hier en daar een balustrade waarop een eenvoudige mededeling is bevestigd: ‘Gevaar, geen doorgang.’ Het lijkt erop dat het neogotisch bouwwerk, dat meer weg heeft van een amalgaam van verschillende stijlen doorspekt met anachronismen, nooit klaar is geraakt. De amorfe natuurstenen blokken geven de kerk een aparte aanblik. Hoewel de constructie uit de 19de eeuw stamt, wachten er nog steeds veel pinakels op hun beeldhouwer.
In de kerk loop ik recht op mijn doel af. Onderweg kijk ik links en rechts over mijn schouder. Het interieur bestaat uit drie hoge beuken waarbij smalle laatgotische zuilen de zijbeuken tot een relatief smalle corridor herleiden. Aan de rechterzijde een biechtstoel, verderop het koor met het altaar. Daarnaast trappen naar beneden. De ketting die er normaal voor hangt, is opzij gedaan. Het vertrek staat open voor het publiek.
De eerste trap naar beneden leidt me naar een tussenplatform dat versierd is met negen wapenschilden van de toenmalige provincies van België, uitgevoerd in een meesterlijk mozaïekpatroon. De volgende trap wordt afgescheiden door majestueuze sculpturale poorten die open staan. Gespannen daal ik af.
In plaats van een civiele toezichthouder slentert er een rijkswachter rond die duidelijk niet aan zijn spannendste opdracht bezig is. Ik zoek de plek waar de afperser in zijn zevende brief mogelijk speels naar verwees. Zodra ik daar ben aangekomen, begin ik naarstig naar aanwijzingen te zoeken. Zijn er ergens initialen te zien? DUA? ANS? Niets.
Minutieus inspecteer ik de ruimte. Muren, vloeren, gewelven. Alle aanwezige objecten worden nauwgezet gecontroleerd. Telkens hetzelfde resultaat: niets. Was het in 1934 mogelijk hier iets te verbergen? Alles ziet er nu zo steriel uit. Vandaag de dag zou het in ieder geval zo goed als onmogelijk zijn hier een pakket met die afmetingen te verstoppen. De anticlimax hangt in de lucht. En toch laat ik me niet ontmoedigen. Ik doe mijn ronde in de kerk zelf. Ik bekijk de buitenkant, loop rond het gebouw, maar het resultaat blijft even negatief.
Ik besluit huiswaarts te keren. Onderweg besef ik dat er meer voorbereiding en vooral meer opzoekingen aan te pas moeten komen, als  ik enig resultaat wil bereiken. En op voorwaarde dat ik op het goede spoor zit, natuurlijk.  
De week erna ga ik in de bibliotheek op zoek naar documentatie over de locatie en de persoon die ermee gelinkt wordt. Ik vat opnieuw moed. In het voorjaar van 1934 kreeg het half-onderaardse bijgebouw een grondige renovatiebeurt. De toestand toen was helemaal niet te vergelijken met wat ze vandaag is. Klaarblijkelijk kon er ook een logische link gelegd worden tussen het gestolen paneel en de persoon die ik voor ogen had.   
Ik ga de locatie nog een keer bezoeken, kan de toestand nu bestuderen vanuit een nieuwe invalshoek. Maar echte bewijzen vind ik niet. Ook niet op het nabijgelegen kerkhof of in de naaste omgeving.

Opnieuw moet ik onverrichterzake huistoe keren. Maar in de maanden die volgen probeer ik meer aanknopingspunten te vinden. Ik neem er Dossier Lam Gods nog eens bij, en andere lectuur over de diefstal van De Rechtvaardige Rechters. En dan, op een weekdag, keer ik nog eens terug naar de locatie. Nogmaals lijkt mijn onderneming vergeefs te zijn geweest. Een beetje ontmoedigd rij ik naar huis. Net buiten Brussel wil ik in eerste instantie weer de afrit naar de E19 nemen, omdat ik ervan uitga dat dit de snelste weg naar Antwerpen is. Plots doemt echter het bordje van de autoweg A12 richting Antwerpen op. De E19 zou op dit uur wel eens heel druk kunnen zijn, en de A12 telt weliswaar heel wat verkeerslichten, maar toch lijkt het me de beste keuze. En zonder het te beseffen neem ik zo, in deze luttele seconden, een beslissing die voor een cruciale doorbraak zal zorgen…

maandag 17 maart 2014

Voorwoord


Op zolder kun je ze soms nog vinden, op rommelmarkten of op de planken van authentieke antiquariaten – de fantastische verhalen die in de tweede helft van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw ontsproten aan het brein van beroemde schrijvers als Edgar Allan Poe, Arthur Conan Doyle of Agatha Christie. Briljante speurders als Auguste Dupin, Sherlock Holmes of Hercule Poirot ontrafelden de meest gecompliceerde misdaden in een sfeer van avontuur en raadselachtigheid. Dankzij hun grote speurzin ontdekten ze sporen die hen via geheime dubbele deuren en onderaardse gangen tot bij hun einddoel brachten: het schuilhol van een gevaarlijk misdadiger, de bergplaats van een fabuleuze schat.  
Echte speurders die dagelijks veldwerk verrichten, weten echter dat misdaden zelden in het chronologisch verloop van deze verhalen worden opgelost. Dikwijls worden er sporen gevonden die naar nergens leiden omdat essentiële elementen ontbreken. Moordenaars bijvoorbeeld worden meestal gevat omdat ze dicht bij hun slachtoffers stonden. Speurders vergaren zoveel mogelijk sporen op de plaats van de misdaad en beginnen daarna de leefwereld van het slachtoffer te analyseren. Als iemand uit de omgeving van het slachtoffer zich verdacht heeft gedragen en geen sluitend alibi kan voorleggen, kunnen zijn DNA, vingerafdrukken, haartjes, voetafdrukken vergeleken worden met de sporen die men op de plaats van de misdaad heeft aangetroffen. Vaak gebeurt het ook dat een dader op een totaal andere wijze in de schijnwerpers terecht komt. Het verhaal loop hier immers van A en B ineens naar Z, om daarna andere letters van het alfabet te bezoeken, tot er voldoende puzzelstukjes verzameld zijn en de bewijsvoering sluitend genoeg wordt bevonden.

Dit boek is het resultaat van meer dan tien jaar speurwerk. In deze periode gebeurden een vijftal belangrijke ontdekkingen die telkens voor een doorbraak zorgden in het onderzoek. Uiteindelijk had ik genoeg materiaal verzameld om de geschiedenis, die zich begin vorige eeuw over nagenoeg drie decennia afspeelde, te reconstrueren, te duiden en in de juiste context te plaatsen.

De chronologie van het onderzoek wordt hier niet aangehouden, om het concept en de leesbaarheid van dit werk niet in het gedrang te brengen.